Op 18 november organiseert de NVTL de laatste excursie van het jaarthema ‘Aan de wandel met het landschap’, over de relatie tussen overheid, landschap en ontwerp. De tocht gaat door Waterland, een divers gebied net ten noorden van Amsterdam dat bestaat uit droogmakerijen, veenweidegebieden en een gedeelte van de IJsselmeerkust. Onderwerp zijn de provinciale woningbouwplannen.

 
 
 

Betwiste bouwopgave, kwetsbaar landschap

Volgens het streekplan van de provincie Noord-Holland moeten er tot 2020 in Waterland 6000 woningen worden gebouwd. Op het eerste gezicht is dat geen vanzelfsprekende opgave. Met een stabiele of zelfs krimpende bevolking lijkt dat bouwen voor de leegstand. Maar als het dan toch moet, op welke wijze kan in dit open en historisch gelaagde landschap zo’n bouwopgave vorm worden gegeven?

Door: Arjan Nienhuis

Waterland is een regio in de provincie Noord-Holland onder de rook van Amsterdam, die grofweg het gebied tussen Amsterdam, Zaanstad en West-Friesland omvat. Tot de regio Waterland behoren de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Wormerland, Zeevang - en Waterland. Want Waterland is zowel de aanduiding van een regio als van een gemeente. Het gebied is rijk aan uitgestrekte en waterrijke veenweidegebieden, met daarin de droogmakerijen de Beemster, de Wormer en de Schermer. In de Nota Ruimte wordt Waterland erkend als Nationaal Landschap. De provincie Noord-Holland wijst in haar nota ‘Cultuurhistorische regioprofielen’ dit landschap, met uitzondering van de Purmer, aan als ‘te behouden gebied’. De Purmer heet ‘te ontwikkelen gebied’, waarmee de provincie anticipeert op woningbehoeften op de langere termijn. Deze behoeften zijn in het nieuwe streekplan vastgesteld en komen voor de regio Waterland uit op 6000 woningen, die tot 2020 moeten worden gebouwd. Ongeveer 3000 woningen komen in de bebouwde kom en 3000 in gebieden die nu nog onbebouwd zijn en de status ‘te behouden’ hebben. Dit zijn forse uitbreidingen van bestaande dorpen en steden in het ‘dikke water’ waar de historische gelaagdheid nog zichtbaar aanwezig is.

Voor wie wordt eigenlijk gebouwd? Naar verwachting blijft de omvang van de bevolking van Waterland tot 2020 gelijk en treedt er een aanzienlijke vergrijzing op. Dat betekent eerder een kwalitatieve verschuiving van de woonbehoeften dan uitbreiding daarvan.

Hier ligt een taak voor de gemeente om eerst een adequate analyse naar de woonbehoeften te plegen alvorens aantallen te presenteren. Wellicht dient daarbij meer rekening gehouden te worden met krimpbehoeften dan met groeistuipen. Eerder een (ontwerp)opgave voor sloop en herstructurering dan voor woningbouw?

Onmiskenbaar Hollands

De regio Waterland bestaat uit meerdere aaneengesloten landschappelijke eenheden waaronder droogmakerijen, veenweidegebieden en een deel van de IJsselmeerkust. Kenmerkend voor de droogmakerijen zijn de scherpe begrenzing van de vorm, de rationeel ontworpen invulling, de strakke verkaveling en de rechte wegen. De grote droogmakerijen zoals de Wijde Wormer, Purmer en de Beemster vormen landschappen op zichzelf, terwijl de kleinere zoals de Monnikermeer, de Noordmeer en de Enge Wormer er als ‘toevallige incidenten’ liggen. Met name de eivormige polder Purmer heeft aan eenheid verloren, doordat het als overloopgebied van Purmerend is ontwikkeld. Het bestaat nu uit drie delen: stedelijk gebied met nieuwbouw en industriegebied, een bosgebied voor recreatie en open agrarisch land.

De veenweidegebieden kenmerken zich door de brede waterwegen, het natte land, de wuivende rietpluimen en de vaak houten huizen die tezamen het landschap een onmiskenbaar Hollands voorkomen geven.

In het Eilandenrijk liggen de dorpen dichtopeengepakt op hoge ruggen in een verder weids landschap. Dorp en landschap liggen als twee aparte werelden naast elkaar en vanuit het dorp is het omringende landschap nauwelijks te ervaren. Het huidige Plasjesland is ontstaan na aanleg van de Zuiderzeedijk en het droogmalen van de voormalige plassen. De dorpen, met voornamelijk houten bebouwing, liggen allemaal aan een van de plasjes of de kronkelige verbindingssloten waarmee ze een intensieve band aangaan.

In het Slotenland wordt het beeld bepaald door een hoofdwatergang met haaks daarop de vele en lange watergangen. De dorpen zijn voornamelijk langs de hoofdvaarten ontstaan. De landelijke uitstraling wordt bepaald door de duidelijke zichtrelatie vanuit de ‘luchtige’ linten naar het weidse gebied daarachter.

De IJsselmeerkust ten slotte, kan onderverdeeld worden in het vasteland en het eiland Marken. Kenmerkend voor de oude kernen van de dijkdorpen is de directe relatie met het IJsselmeer, maar ook de aanwezigheid van binnenhavens, grachten en vaarten. De nieuwe wijken hebben echter geen relatie met het open water. Het eiland Marken mag met recht uniek genoemd worden om de werven, een eigen wijze van bouwen op terpen.

Herverkaveling

‘Het paradoxale is dat landschappen die hun identiteit bij uitstek danken aan hun oorspronkelijke bebouwing, nu door nieuwe bebouwing uiteenvallen en vervlakken. De conclusie is dan ook dat behoud of verlies van landschappelijke identiteit niet afhankelijk is van het feit dat er gebouwd wordt, maar van waar er wordt gebouwd en in welke vorm.’ Zo is te lezen in de studie ‘Bouwen voor Waterland’ die landschapsarchitectenbureau la4sale in opdracht van de provincie Noord-Holland uitvoerde. Volgens het Amsterdamse bureau kan woningbouw bijdragen aan de identiteit en versterking van landschappen. Zij pleiten voor bouwen zonder te verstedelijken en het inzetten van woningbouw voor landschapsontwikkeling. Om achter de landschappelijke identiteit, samenhang en dragers van Waterland te komen, heeft het bureau zich voornamelijk gericht op de vorm- en structuurkenmerken van het gebied. Op basis van de hierboven beschreven landschappelijke eenheden werd gekeken welke ruimtelijke kenmerken door meerdere eenheden worden gedeeld en welke kenmerken uniek zijn. Uitgaande van de bestaande combinatie van samenhang en verschil kwamen zij tot aanwijzingen voor een logische opeenvolgende en karaktervolle stedelijke ontwikkeling.

Als woningbouw daadwerkelijk ingezet kan worden om landschapsbouw tot stand te brengen, dan vraagt dit om andere inspanningen van de overheden. Zo is een samenhangend ruimtelijk beleid vanuit landschappelijke of waterstaatskundige eenheden wenselijk. Bestuurlijk gezien is het landschap opgedeeld in gemeenten, die elk hun eigen bestemmingsplan nastreven. Bestuurlijke en landschappelijke grenzen vallen slechts zelden samen, waardoor een gespleten of conflicterend ruimtelijk beleid kan ontstaan. Dat vereist een ‘herverkaveling’ van verantwoordelijkheden van gemeenten en provincies. Een specifiek en gebiedsoverschrijdend ruimtelijk beleid moet totstandkomen in samenspraak met andere gemeenten, aangevuld met een kwalitatieve begeleiding en toetsing van dit ruimtelijk beleid. Voltrekt deze bestuurlijke hervorming zich niet tijdig dan bestaat het risico dat elke gemeente haar eigen plannen blijft nastreven met als gevolg de gevreesde ‘steenpuisten’ en weinig kwalitatieve toevoegingen.

Voorlopig en flexibel

De aanzetten in ‘Bouwen voor Waterland’ voor in het landschap passende bebouwing, gaan voorbij aan misschien wel de belangrijkste vraag in dit verband: is het bouwen van woningen gezien de demografische ontwikkelingen in Waterland eigenlijk wel nodig? En zo ja, op welke wijze en in welke hoeveelheden? En voor wie? Temeer omdat ‘licht, lucht en ruimte’ van deze open landschappen onder immense druk staan, en niet alleen in Waterland. Is binnen het geschetste landschappelijke en demografische kader wel plaats voor ‘klassieke’ stedenbouw? Als er toch gebouwd gaat worden buiten de bebouwde kom, dan zou dat met een chirurgische precisie moeten gebeuren waardoor de ruimtelijke kwaliteiten en historische leesbaarheid niet aangetast worden maar versterkt. Inderdaad, bouwen zonder te verstedelijken en woningbouw ten behoeve van landschapsontwikkeling.

Bovendien moet er ook – of alleen maar - gezocht worden naar woonvormen die voorlopig en flexibel van aard zijn, makkelijk te verplaatsen en een andere functie te geven op het moment dat demografische krimp deze woningbehoeften overbodig maakt. Wat ligt er in Broek in Waterland meer voor de hand dan een drijvende vorm van wonen? Goed geplaatste en mooi ontworpen – houten – woonboten langs de verschillende vaarten in het gebied die letterlijk en figuurlijk de gelaagdheid van het landschap versterken. Een strikt beleid voor ligplaatsvergunningen met een beperkte looptijd kan voorkomen dat het tijdelijke en experimentele permanent van karakter wordt. Ook op het boerenerf kan woonruimte gevonden worden in combinaties van boeren- en burgererf met functieveranderingen van de erfbebouwing. De Broekse traditie van transformatie van agrarische bebouwing voor burgerdoeleinden kan hierbij als inspiratiebron dienen. Dit kan een forse bijdrage leveren aan een eventuele woonbehoefte, in ieder geval voor de ‘eigen bevolking’. Bovendien wordt ruimtelijk voortgebouwd op een traditie die maatschappelijk en cultureel ingeburgerd is in Waterland.

Maar tussen droom en werkelijkheid staan wetten en praktische bezwaren - van de kant van de politiek, de ambtenarij en de financiële wereld die veel in vast- en weinig in vlottend goed ziet. Des te dringender is de noodzaak om in deze richting een proefproject te beginnen – in Broek in Waterland bijvoorbeeld. Ook wordt het tijd om de demografische factor serieus te nemen. Wellicht dat de bouwopgave eerder om een kwalitatieve verschuiving vraagt dan om uitbreidingen. Woningbouw voor leegstand? Dat kan toch niet de bedoeling zijn van het Belverdere-devies ‘behoud door ontwikkeling’?

terug

 
   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts