Betwiste bouwopgave, kwetsbaar landschap
Volgens het streekplan van de provincie Noord-Holland moeten er tot 2020 in
Waterland 6000 woningen worden gebouwd. Op het eerste gezicht is dat geen vanzelfsprekende
opgave. Met een stabiele of zelfs krimpende bevolking lijkt dat bouwen voor de
leegstand. Maar als het dan toch moet, op welke wijze kan in dit open en historisch
gelaagde landschap zo’n bouwopgave vorm worden gegeven?
Door: Arjan Nienhuis
Waterland
is een regio in de provincie Noord-Holland onder de rook van Amsterdam, die grofweg
het gebied tussen Amsterdam, Zaanstad en West-Friesland omvat. Tot de regio Waterland
behoren de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend,
Wormerland, Zeevang - en Waterland. Want Waterland is zowel de aanduiding van
een regio als van een gemeente. Het gebied is rijk aan uitgestrekte en waterrijke
veenweidegebieden, met daarin de droogmakerijen de Beemster, de Wormer en de
Schermer. In de Nota Ruimte wordt Waterland erkend als Nationaal Landschap. De
provincie Noord-Holland wijst in haar nota ‘Cultuurhistorische regioprofielen’ dit
landschap, met uitzondering van de Purmer, aan als ‘te behouden gebied’.
De Purmer heet ‘te ontwikkelen gebied’, waarmee de provincie anticipeert
op woningbehoeften op de langere termijn. Deze behoeften zijn in het nieuwe streekplan
vastgesteld en komen voor de regio Waterland uit op 6000 woningen, die tot 2020
moeten worden gebouwd. Ongeveer 3000 woningen komen in de bebouwde kom en 3000
in gebieden die nu nog onbebouwd zijn en de status ‘te behouden’ hebben.
Dit zijn forse uitbreidingen van bestaande dorpen en steden in het ‘dikke
water’ waar de historische gelaagdheid nog zichtbaar aanwezig is.
Voor wie wordt eigenlijk gebouwd? Naar verwachting blijft de omvang van de
bevolking van Waterland tot 2020 gelijk en treedt er een aanzienlijke vergrijzing
op. Dat betekent eerder een kwalitatieve verschuiving van de woonbehoeften dan
uitbreiding daarvan.
Hier ligt een taak voor de gemeente om eerst een adequate analyse naar de
woonbehoeften te plegen alvorens aantallen te presenteren. Wellicht dient daarbij
meer rekening gehouden te worden met krimpbehoeften dan met groeistuipen. Eerder
een (ontwerp)opgave voor sloop en herstructurering dan voor woningbouw?
Onmiskenbaar Hollands
De regio Waterland bestaat uit meerdere aaneengesloten landschappelijke eenheden
waaronder droogmakerijen, veenweidegebieden en een deel van de IJsselmeerkust.
Kenmerkend voor de droogmakerijen zijn de scherpe begrenzing van de vorm, de
rationeel ontworpen invulling, de strakke verkaveling en de rechte wegen. De
grote droogmakerijen zoals de Wijde Wormer, Purmer en de Beemster vormen landschappen
op zichzelf, terwijl de kleinere zoals de Monnikermeer, de Noordmeer en de Enge
Wormer er als ‘toevallige incidenten’ liggen. Met name de eivormige
polder Purmer heeft aan eenheid verloren, doordat het als overloopgebied van
Purmerend is ontwikkeld. Het bestaat nu uit drie delen: stedelijk gebied met
nieuwbouw en industriegebied, een bosgebied voor recreatie en open agrarisch
land.
De veenweidegebieden kenmerken zich door de brede waterwegen, het natte land,
de wuivende rietpluimen en de vaak houten huizen die tezamen het landschap een
onmiskenbaar Hollands voorkomen geven.
In het Eilandenrijk liggen de dorpen dichtopeengepakt op hoge ruggen in een
verder weids landschap. Dorp en landschap liggen als twee aparte werelden naast
elkaar en vanuit het dorp is het omringende landschap nauwelijks te ervaren.
Het huidige Plasjesland is ontstaan na aanleg van de Zuiderzeedijk en het droogmalen
van de voormalige plassen. De dorpen, met voornamelijk houten bebouwing, liggen
allemaal aan een van de plasjes of de kronkelige verbindingssloten waarmee ze
een intensieve band aangaan.
In het Slotenland wordt het beeld bepaald door een hoofdwatergang met haaks
daarop de vele en lange watergangen. De dorpen zijn voornamelijk langs de hoofdvaarten
ontstaan. De landelijke uitstraling wordt bepaald door de duidelijke zichtrelatie
vanuit de ‘luchtige’ linten naar het weidse gebied daarachter.
De IJsselmeerkust ten slotte, kan onderverdeeld worden in het vasteland en
het eiland Marken. Kenmerkend voor de oude kernen van de dijkdorpen is de directe
relatie met het IJsselmeer, maar ook de aanwezigheid van binnenhavens, grachten
en vaarten. De nieuwe wijken hebben echter geen relatie met het open water. Het
eiland Marken mag met recht uniek genoemd worden om de werven, een eigen wijze
van bouwen op terpen.
Herverkaveling
‘Het
paradoxale is dat landschappen die hun identiteit bij uitstek danken aan hun
oorspronkelijke bebouwing, nu door nieuwe bebouwing uiteenvallen en vervlakken.
De conclusie is dan ook dat behoud of verlies van landschappelijke identiteit
niet afhankelijk is van het feit dat er gebouwd wordt, maar van waar er wordt
gebouwd en in welke vorm.’ Zo is te lezen in de studie ‘Bouwen voor
Waterland’ die landschapsarchitectenbureau la4sale in opdracht van de provincie
Noord-Holland uitvoerde. Volgens het Amsterdamse bureau kan woningbouw bijdragen
aan de identiteit en versterking van landschappen. Zij pleiten voor bouwen zonder
te verstedelijken en het inzetten van woningbouw voor landschapsontwikkeling.
Om achter de landschappelijke identiteit, samenhang en dragers van Waterland
te komen, heeft het bureau zich voornamelijk gericht op de vorm- en structuurkenmerken
van het gebied. Op basis van de hierboven beschreven landschappelijke eenheden
werd gekeken welke ruimtelijke kenmerken door meerdere eenheden worden gedeeld
en welke kenmerken uniek zijn. Uitgaande van de bestaande combinatie van samenhang
en verschil kwamen zij tot aanwijzingen voor een logische opeenvolgende en karaktervolle
stedelijke ontwikkeling.
Als woningbouw daadwerkelijk ingezet kan worden om landschapsbouw tot stand
te brengen, dan vraagt dit om andere inspanningen van de overheden. Zo is een
samenhangend ruimtelijk beleid vanuit landschappelijke of waterstaatskundige
eenheden wenselijk. Bestuurlijk gezien is het landschap opgedeeld in gemeenten,
die elk hun eigen bestemmingsplan nastreven. Bestuurlijke en landschappelijke
grenzen vallen slechts zelden samen, waardoor een gespleten of conflicterend
ruimtelijk beleid kan ontstaan. Dat vereist een ‘herverkaveling’ van
verantwoordelijkheden van gemeenten en provincies. Een specifiek en gebiedsoverschrijdend
ruimtelijk beleid moet totstandkomen in samenspraak met andere gemeenten, aangevuld
met een kwalitatieve begeleiding en toetsing van dit ruimtelijk beleid. Voltrekt
deze bestuurlijke hervorming zich niet tijdig dan bestaat het risico dat elke
gemeente haar eigen plannen blijft nastreven met als gevolg de gevreesde ‘steenpuisten’ en
weinig kwalitatieve toevoegingen.
Voorlopig en flexibel
De aanzetten in ‘Bouwen voor Waterland’ voor in het landschap
passende bebouwing, gaan voorbij aan misschien wel de belangrijkste vraag in
dit verband: is het bouwen van woningen gezien de demografische ontwikkelingen
in Waterland eigenlijk wel nodig? En zo ja, op welke wijze en in welke hoeveelheden?
En voor wie? Temeer omdat ‘licht, lucht en ruimte’ van deze open
landschappen onder immense druk staan, en niet alleen in Waterland. Is binnen
het geschetste landschappelijke en demografische kader wel plaats voor ‘klassieke’ stedenbouw?
Als er toch gebouwd gaat worden buiten de bebouwde kom, dan zou dat met een chirurgische
precisie moeten gebeuren waardoor de ruimtelijke kwaliteiten en historische leesbaarheid
niet aangetast worden maar versterkt. Inderdaad, bouwen zonder te verstedelijken
en woningbouw ten behoeve van landschapsontwikkeling.
Bovendien moet er ook – of alleen maar - gezocht worden naar woonvormen
die voorlopig en flexibel van aard zijn, makkelijk te verplaatsen en een andere
functie te geven op het moment dat demografische krimp deze woningbehoeften overbodig
maakt. Wat ligt er in Broek in Waterland meer voor de hand dan een drijvende
vorm van wonen? Goed geplaatste en mooi ontworpen – houten – woonboten
langs de verschillende vaarten in het gebied die letterlijk en figuurlijk de
gelaagdheid van het landschap versterken. Een strikt beleid voor ligplaatsvergunningen
met een beperkte looptijd kan voorkomen dat het tijdelijke en experimentele permanent
van karakter wordt. Ook op het boerenerf kan woonruimte gevonden worden in combinaties
van boeren- en burgererf met functieveranderingen van de erfbebouwing. De Broekse
traditie van transformatie van agrarische bebouwing voor burgerdoeleinden kan
hierbij als inspiratiebron dienen. Dit kan een forse bijdrage leveren aan een
eventuele woonbehoefte, in ieder geval voor de ‘eigen bevolking’.
Bovendien wordt ruimtelijk voortgebouwd op een traditie die maatschappelijk en
cultureel ingeburgerd is in Waterland.
Maar tussen droom en werkelijkheid staan wetten en praktische bezwaren - van
de kant van de politiek, de ambtenarij en de financiële wereld die veel
in vast- en weinig in vlottend goed ziet. Des te dringender is de noodzaak om
in deze richting een proefproject te beginnen – in Broek in Waterland bijvoorbeeld.
Ook wordt het tijd om de demografische factor serieus te nemen. Wellicht dat
de bouwopgave eerder om een kwalitatieve verschuiving vraagt dan om uitbreidingen.
Woningbouw voor leegstand? Dat kan toch niet de bedoeling zijn van het Belverdere-devies ‘behoud
door ontwikkeling’?
terug |