| |
Wiegersma: "Ik was al jong geïnteresseerd
in tuin- en landschapsarchitectuur. Daarom startte ik een correspondentie met
professor Bijhouwer uit Wageningen, die me aanraadde om naar de kunstacademie
van Kopenhagen te gaan. Toen ik daar studeerde was Sørensen al met pensioen,
maar ik heb wel les gehad van zijn opvolger Sven Ingvar Andersson, die voor Nederland
bijvoorbeeld het Museumplein ontworpen heeft. Andersson ontwerpt poëtischer
dan Sørensen, die vooral door zijn consequentheid overtuigend was. Op Europees
niveau hadden de Denen al direct na de oorlog een voorsprong op de Nederlanders.
De cultuur in Denemarken was na de oorlog ook al zodanig dat een opdrachtgever
met het inhuren van een architect ook een tuin- en landschapsarchitect inhuurde.
In Nederland is dat eigenlijk pas de laatste jaren aan het veranderen. Architecten
ontwierpen vaak binnen- en buitenruimte. Jongere architecten staan wel open voor
tuin- en landschapsarchitecten. Ze gaan steeds beter inzien dat het toch een vak
apart is."
"In de jaren vijftig, zestig en zeventig hebben
de Denen Brandt, Sørensen en Andersson op Europees niveau veel invloed
gehad. De excursies van de studenten tuin- en landschapsarchitectuur van de Landbouwuniversiteit
Wageningen gingen daarom vaak naar Denemarken. Nu wordt er eerder voor Parijs
of Barcelona gekozen, de architectuur komt centraler te staan, de beplanting is
naar de achtergrond geschoven. Ik vind het goed dat het ontwerp centraler komt
te staan, maar het gebrek aan aandacht voor beplantingsleer in Nederland vind
ik een tekort. Als docent aan de Koninklijke Veterinaire- en Landbouwhogeschool
in Kopenhagen begeleid ik studenten met hun ontwerpen, doe ik onderzoek in bosontwerp,
bestudeer ik de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur, maar geef
ik ook colleges over het belang van het gebruik van beplanting, wat ik al eerder
gedaan heb aan de Wageningse universiteit. Vooral voor wat betreft de beplantingsleer
voel ik me soms als een roepende in de woestijn."
Wiegersma vatte tijdens zijn studie een grote sympathie
op voor het werk van Sørensen, een tuin- en landschapsarchitect die de
vorm en beleving van een tuin of park centraal stelde. Sørensen meende
dat beplanting belangrijk is, maar geen uitgangspunt mocht vormen: de beplanting
moest altijd dienstbaar zijn aan het ontwerp. De ontwerpen van Sørensen
kenmerkten zich door eenvoud, helderheid en consequentie. Met slechts enkele lijntjes
schiep hij boeiende ontwerpen. De repetitie van steeds dezelfde vorm was de basis
van verschillende ontwerpen van zijn hand. Hierin was hij uniek. Wiegersma toont
een ontwerp van Sørensen waarin slechts twee gebogen lijntjes het ontwerp
bepalen. Even later laat hij een foto zien van het uitgevoerde ontwerp: "Kijk
maar hoe die twee simpele lijnen en het hoogteverschil bepalend kunnen zijn voor
de hele tuin. Soms is een ontwerp niet gemakkelijk uit te leggen aan een opdrachtgever."
Wiegersma: "Sørensen boeide me door
zijn inzicht. Begonnen als hoveniersleerling, en voornamelijk autodidact wist
hij sterke, originele en vormbewuste ontwerpen te scheppen, die sterk geïnspireerd
waren op elementen uit het omliggende cultuurlandschap. En dat terwijl hij uit
een heel eenvoudig gezin kwam met ouders die hem nauwelijks hebben kunnen stimuleren.
De man had het kennelijk al gewoon in zich. Naast een grote interesse voor de
beeldende kunst toonde Sørensen steeds een grote maatschappelijke betrokkenheid.
Hij heeft ook verschillende boeken geschreven over tuinen, parkpolitiek en tuinkunstgeschiedenis.
Zijn ontwerpen hadden en hebben een heel hoog niveau. Het feit dat hij uit Denemarken
kwam, wat een klein taalgebied is, heeft er volgens mij toe bijgedragen dat hij
niet veel bekender werd. Verschillende Nederlandse tuinarchitecten vinden hem
te formalistisch. Maar de dingen die hij gemaakt heeft staan wel, ze zijn tijdloos.
Hij heeft ontwerpen gemaakt die nu nog in hun volle glorie te zien zijn en die
de kijker nog steeds kunnen boeien."
Sørensens '39 tuinplannen' zijn voorbeelden
van tuinarchitectuur. Het boek kan dienen als een catalogus van tuinkunst. Binnen
eenzelfde terreinoppervlak dat hoort bij een 'gewoon huis' moet elk getoond plan
te realiseren zijn. Ieder tuinplan is gebaseerd op een idee dat de schrijver illustreert
met een referentiefoto en het getekende ontwerp. Sørensens woorden zijn
direct gericht tot de lezer die als het ware wordt uitgenodigd naast de tuinarchitect
aan de tekentafel te komen zitten. De lezer krijgt de indruk dat Sørensen
zijn plannen laat zien en op een vriendelijke maar zelfverzekerde wijze zijn plannen
expliciteert. Een tuin voor een lange wandeling, een renaissance-parterre, een
tuin met een tunnel van taxus, maar ook de kinderbouwspeelplaats zijn in de plannen
terug te vinden. In het ontwerp voor de laatste tuin heeft de hoogleraar een deel
van de tuin bestemd als kinderspeelplaats. Met stenen en planken mogen de kinderen
zelf bouwen en wippen en schommels maken. In zijn beschrijving merkt Sørensen
op: 'Waarschijnlijk zullen maar weinig tuinlieden het geduld kunnen opbrengen
om het in deze tuin uit te houden.'
Wiegersma: "Het is aardig dat Sørensen
rekening heeft gehouden met allerlei uiteenlopende tuinbezitters met verschillende
wensen, die meer of minder tijd voor hun tuin hebben. De Deen dacht ook menselijk
en praktisch. In zijn uitleg bij de ontwerpen in het boek is hij mensgericht en
bespreekt hij ook de kosten die tuinaanleg voor de tuinbezitter met zich mee kunnen
brengen. Het boek is geen voorbeeldenboek, het is een boek dat de lezer kan inspireren.
Het geeft mogelijkheden aan die heel consequent uitgewerkt zijn en die duidelijk
laten zien dat het in dit boek om tuinkunst en ontwerpen gaat. In de beplanting
die hij gebruikt is hij eveneens consequent: Sørensen beperkt zich vaak
tot slechts één bomen- of plantensoort. Maar hij is dan ook niet
bang om er dan veel van te gebruiken. Ik meen dat de inhoud van het boek mensen
duidelijk kan maken wat tuinarchitectuur nu precies inhoudt. De belangstelling
voor tuinen neemt toe, maar de meeste mensen maken dan toch hun gang naar de grote
tuincentra die slechte ontwerpen, eenzijdig beplantingsmateriaal en veel frutsels
leveren. Met hun troep stoppen ze onze tuinen vol. Ik meen dat dat veel kwaad
doet aan onze rijke tuincultuur. Het boek moet dus dienen als tegengif; in het
boekje kun je zien dat er ook nog andere mogelijkheden zijn. Het maakt duidelijk
wat tuinkunst is: kwalitatief hoogstaand ontwerpen."
Naast zijn docentschap ontwerpt Wiegersma zelf ook,
zowel voor Nederlandse als Deense opdrachtgevers. Wiegersma: "Ik ben opgevoed
in het functionalisme, dat is ook zichtbaar in mijn ontwerpen. Ik vind dat je
aan een tuin mag zien dat er een ontwerper aan te pas gekomen is. Dit in tegenstelling
tot bijvoorbeeld de tuin- en landschapsarchitect Warnau die zei dat een ontwerp
onopvallend moest zijn. Ik vind ook niet dat een ontwerp gezocht moet zijn, het
moet wel voor de hand liggen en eenvoudig zijn. Ik heb vaak moeite met het werk
van sommige jonge collega's die drukke, soms schreeuwerige en vermoeiende ontwerpen
scheppen die in de praktijk ook vaak slecht uitgevoerd en onderhouden kunnen worden.
Ik ontwerp liever op een meer bescheiden manier, duurzaam en vormgericht. Sørensen
en Andersson hebben wel invloed op me gehad evenals Nico de Jonge, mijn eerste
werkgever bij Staatsbosbeheer die later hoogleraar is geworden. Eén van
mijn eerste opdrachten voor Staatsbosbeheer was het maken van een parkeerplaats.
Dat ik die cirkelvormig durfde te maken, komt inderdaad door de invloed van Sørensen.
Ik kopieer geen ontwerpen, ik gebruik wel elementen eruit of ik probeer verschillende
inzichten te combineren of te verbeteren."
Wiegersma vraagt zich in de inleiding van het boek
af hoe het vakgebied tuin- en landschapsarchitectuur zich zal gaan ontwikkelen.
"We hebben nu een tijd waarin alles zo ongeveer kan en mag, het is een soort
drijfzand. Als het maar originele vormen zijn, dan lijkt het ook meteen goed gevonden
te worden. Ik meen dat het daarbij vaak gaat om ontwerpen die op de lange duur
niet houdbaar zijn. Als kind van het functionalisme denk ik duurzamer en ben ik
toch beredeneerder en rustiger. Ik denk dat we deels terug zullen moeten gaan
naar het functionalisme, naar die ontwerpen en tuinen die gemakkelijk uit te voeren
en te onderhouden zijn, naar tuinen die veelzijdiger bruikbaar zijn. Als reactie
op de enorme vormenrijkdom, verwacht ik dat we terug zullen keren naar de eenvoud."
"De mooiste tuin die ik ken? Die zou ik kunnen
beschrijven als een heel eenvoudige tuin met een haag erom, een grasveld en een
enkele boom erin. Het park Chantilly van Le Nôtre vind ik een van de mooiste
historische tuinen. Om hun eenvoud vind ik de binnentuinen van de universiteit
van Tilburg erg mooi, ontworpen door Pieter Buys. En oh ja, de tuin van het zomerhuis
van Andersson. Dat is een tuin die verdeeld is in allerlei ruimtes. In een van
die ruimtes vind je gigantische in vorm geknipte kippen. Dat is wel een complexe
tuin die ontzettend rijk is."
Cécile van der Heijden
39 tuinplannen van C. Th. Sørensen, vertaald en ingeleid door Lodewijk
Wiegersma is in 1999 uitgegeven door Uitgeverij Blauwdruk uit Wageningen.
|