Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 3 • NUMMER 1

21 april 2001

 
       
  •  "Dit boek is tegengif voor tuincentra"
Interview met Lodewijk Wiegersma
 
       
   
   
 
 

     De Nederlands hoogleraar Bijhouwer en zijn tijdgenoot, de Deense hoogleraar Sørensen, hebben de twintigste-eeuwse geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur ieder in hun eigen land aanzienlijk bepaald. Waar Bijhouwer gericht was op de wetenschappelijke achtergrond van de tuin- en landschapsarchitectuur en op grootschaliger projecten, was Sørensen ontwerper pur sang en heeft hij zich voornamelijk toegelegd op de kleinere schaal: tuinen, begraafplaatsen en parken. Lodewijk Wiegersma (1940), tuin- en landschapsarchitect in Utrecht en Kopenhagen, meent dat de Denen al veel eerder een hoog ontwerpniveau hadden dan de Nederlanders. Uit bewondering voor het werk van Sørensen heeft hij het boek '39 tuinplannen, Ongewone tuinen voor een gewoon huis' dat Sørensen midden jaren zestig uitgaf, uit het Deens vertaald en ingeleid met een hoofdstuk twintigste-eeuwse West-Europese geschiedenis van de tuinarchitectuur. "Het boek moet dienen als tegengif voor de tuincentra die veel kwaad doen aan onze huidige tuincultuur. Het wordt tijd dat de schellen bij de mensen van de ogen vallen."

   
 

     Wiegersma: "Ik was al jong geïnteresseerd in tuin- en landschapsarchitectuur. Daarom startte ik een correspondentie met professor Bijhouwer uit Wageningen, die me aanraadde om naar de kunstacademie van Kopenhagen te gaan. Toen ik daar studeerde was Sørensen al met pensioen, maar ik heb wel les gehad van zijn opvolger Sven Ingvar Andersson, die voor Nederland bijvoorbeeld het Museumplein ontworpen heeft. Andersson ontwerpt poëtischer dan Sørensen, die vooral door zijn consequentheid overtuigend was. Op Europees niveau hadden de Denen al direct na de oorlog een voorsprong op de Nederlanders. De cultuur in Denemarken was na de oorlog ook al zodanig dat een opdrachtgever met het inhuren van een architect ook een tuin- en landschapsarchitect inhuurde. In Nederland is dat eigenlijk pas de laatste jaren aan het veranderen. Architecten ontwierpen vaak binnen- en buitenruimte. Jongere architecten staan wel open voor tuin- en landschapsarchitecten. Ze gaan steeds beter inzien dat het toch een vak apart is."
     "In de jaren vijftig, zestig en zeventig hebben de Denen Brandt, Sørensen en Andersson op Europees niveau veel invloed gehad. De excursies van de studenten tuin- en landschapsarchitectuur van de Landbouwuniversiteit Wageningen gingen daarom vaak naar Denemarken. Nu wordt er eerder voor Parijs of Barcelona gekozen, de architectuur komt centraler te staan, de beplanting is naar de achtergrond geschoven. Ik vind het goed dat het ontwerp centraler komt te staan, maar het gebrek aan aandacht voor beplantingsleer in Nederland vind ik een tekort. Als docent aan de Koninklijke Veterinaire- en Landbouwhogeschool in Kopenhagen begeleid ik studenten met hun ontwerpen, doe ik onderzoek in bosontwerp, bestudeer ik de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur, maar geef ik ook colleges over het belang van het gebruik van beplanting, wat ik al eerder gedaan heb aan de Wageningse universiteit. Vooral voor wat betreft de beplantingsleer voel ik me soms als een roepende in de woestijn."
     Wiegersma vatte tijdens zijn studie een grote sympathie op voor het werk van Sørensen, een tuin- en landschapsarchitect die de vorm en beleving van een tuin of park centraal stelde. Sørensen meende dat beplanting belangrijk is, maar geen uitgangspunt mocht vormen: de beplanting moest altijd dienstbaar zijn aan het ontwerp. De ontwerpen van Sørensen kenmerkten zich door eenvoud, helderheid en consequentie. Met slechts enkele lijntjes schiep hij boeiende ontwerpen. De repetitie van steeds dezelfde vorm was de basis van verschillende ontwerpen van zijn hand. Hierin was hij uniek. Wiegersma toont een ontwerp van Sørensen waarin slechts twee gebogen lijntjes het ontwerp bepalen. Even later laat hij een foto zien van het uitgevoerde ontwerp: "Kijk maar hoe die twee simpele lijnen en het hoogteverschil bepalend kunnen zijn voor de hele tuin. Soms is een ontwerp niet gemakkelijk uit te leggen aan een opdrachtgever."
     Wiegersma: "Sørensen boeide me door zijn inzicht. Begonnen als hoveniersleerling, en voornamelijk autodidact wist hij sterke, originele en vormbewuste ontwerpen te scheppen, die sterk geïnspireerd waren op elementen uit het omliggende cultuurlandschap. En dat terwijl hij uit een heel eenvoudig gezin kwam met ouders die hem nauwelijks hebben kunnen stimuleren. De man had het kennelijk al gewoon in zich. Naast een grote interesse voor de beeldende kunst toonde Sørensen steeds een grote maatschappelijke betrokkenheid. Hij heeft ook verschillende boeken geschreven over tuinen, parkpolitiek en tuinkunstgeschiedenis. Zijn ontwerpen hadden en hebben een heel hoog niveau. Het feit dat hij uit Denemarken kwam, wat een klein taalgebied is, heeft er volgens mij toe bijgedragen dat hij niet veel bekender werd. Verschillende Nederlandse tuinarchitecten vinden hem te formalistisch. Maar de dingen die hij gemaakt heeft staan wel, ze zijn tijdloos. Hij heeft ontwerpen gemaakt die nu nog in hun volle glorie te zien zijn en die de kijker nog steeds kunnen boeien."
     Sørensens '39 tuinplannen' zijn voorbeelden van tuinarchitectuur. Het boek kan dienen als een catalogus van tuinkunst. Binnen eenzelfde terreinoppervlak dat hoort bij een 'gewoon huis' moet elk getoond plan te realiseren zijn. Ieder tuinplan is gebaseerd op een idee dat de schrijver illustreert met een referentiefoto en het getekende ontwerp. Sørensens woorden zijn direct gericht tot de lezer die als het ware wordt uitgenodigd naast de tuinarchitect aan de tekentafel te komen zitten. De lezer krijgt de indruk dat Sørensen zijn plannen laat zien en op een vriendelijke maar zelfverzekerde wijze zijn plannen expliciteert. Een tuin voor een lange wandeling, een renaissance-parterre, een tuin met een tunnel van taxus, maar ook de kinderbouwspeelplaats zijn in de plannen terug te vinden. In het ontwerp voor de laatste tuin heeft de hoogleraar een deel van de tuin bestemd als kinderspeelplaats. Met stenen en planken mogen de kinderen zelf bouwen en wippen en schommels maken. In zijn beschrijving merkt Sørensen op: 'Waarschijnlijk zullen maar weinig tuinlieden het geduld kunnen opbrengen om het in deze tuin uit te houden.'
     Wiegersma: "Het is aardig dat Sørensen rekening heeft gehouden met allerlei uiteenlopende tuinbezitters met verschillende wensen, die meer of minder tijd voor hun tuin hebben. De Deen dacht ook menselijk en praktisch. In zijn uitleg bij de ontwerpen in het boek is hij mensgericht en bespreekt hij ook de kosten die tuinaanleg voor de tuinbezitter met zich mee kunnen brengen. Het boek is geen voorbeeldenboek, het is een boek dat de lezer kan inspireren. Het geeft mogelijkheden aan die heel consequent uitgewerkt zijn en die duidelijk laten zien dat het in dit boek om tuinkunst en ontwerpen gaat. In de beplanting die hij gebruikt is hij eveneens consequent: Sørensen beperkt zich vaak tot slechts één bomen- of plantensoort. Maar hij is dan ook niet bang om er dan veel van te gebruiken. Ik meen dat de inhoud van het boek mensen duidelijk kan maken wat tuinarchitectuur nu precies inhoudt. De belangstelling voor tuinen neemt toe, maar de meeste mensen maken dan toch hun gang naar de grote tuincentra die slechte ontwerpen, eenzijdig beplantingsmateriaal en veel frutsels leveren. Met hun troep stoppen ze onze tuinen vol. Ik meen dat dat veel kwaad doet aan onze rijke tuincultuur. Het boek moet dus dienen als tegengif; in het boekje kun je zien dat er ook nog andere mogelijkheden zijn. Het maakt duidelijk wat tuinkunst is: kwalitatief hoogstaand ontwerpen."
     Naast zijn docentschap ontwerpt Wiegersma zelf ook, zowel voor Nederlandse als Deense opdrachtgevers. Wiegersma: "Ik ben opgevoed in het functionalisme, dat is ook zichtbaar in mijn ontwerpen. Ik vind dat je aan een tuin mag zien dat er een ontwerper aan te pas gekomen is. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de tuin- en landschapsarchitect Warnau die zei dat een ontwerp onopvallend moest zijn. Ik vind ook niet dat een ontwerp gezocht moet zijn, het moet wel voor de hand liggen en eenvoudig zijn. Ik heb vaak moeite met het werk van sommige jonge collega's die drukke, soms schreeuwerige en vermoeiende ontwerpen scheppen die in de praktijk ook vaak slecht uitgevoerd en onderhouden kunnen worden. Ik ontwerp liever op een meer bescheiden manier, duurzaam en vormgericht. Sørensen en Andersson hebben wel invloed op me gehad evenals Nico de Jonge, mijn eerste werkgever bij Staatsbosbeheer die later hoogleraar is geworden. Eén van mijn eerste opdrachten voor Staatsbosbeheer was het maken van een parkeerplaats. Dat ik die cirkelvormig durfde te maken, komt inderdaad door de invloed van Sørensen. Ik kopieer geen ontwerpen, ik gebruik wel elementen eruit of ik probeer verschillende inzichten te combineren of te verbeteren."
     Wiegersma vraagt zich in de inleiding van het boek af hoe het vakgebied tuin- en landschapsarchitectuur zich zal gaan ontwikkelen. "We hebben nu een tijd waarin alles zo ongeveer kan en mag, het is een soort drijfzand. Als het maar originele vormen zijn, dan lijkt het ook meteen goed gevonden te worden. Ik meen dat het daarbij vaak gaat om ontwerpen die op de lange duur niet houdbaar zijn. Als kind van het functionalisme denk ik duurzamer en ben ik toch beredeneerder en rustiger. Ik denk dat we deels terug zullen moeten gaan naar het functionalisme, naar die ontwerpen en tuinen die gemakkelijk uit te voeren en te onderhouden zijn, naar tuinen die veelzijdiger bruikbaar zijn. Als reactie op de enorme vormenrijkdom, verwacht ik dat we terug zullen keren naar de eenvoud."
     "De mooiste tuin die ik ken? Die zou ik kunnen beschrijven als een heel eenvoudige tuin met een haag erom, een grasveld en een enkele boom erin. Het park Chantilly van Le Nôtre vind ik een van de mooiste historische tuinen. Om hun eenvoud vind ik de binnentuinen van de universiteit van Tilburg erg mooi, ontworpen door Pieter Buys. En oh ja, de tuin van het zomerhuis van Andersson. Dat is een tuin die verdeeld is in allerlei ruimtes. In een van die ruimtes vind je gigantische in vorm geknipte kippen. Dat is wel een complexe tuin die ontzettend rijk is."

Cécile van der Heijden

39 tuinplannen van C. Th. Sørensen, vertaald en ingeleid door Lodewijk Wiegersma is in 1999 uitgegeven door Uitgeverij Blauwdruk uit Wageningen.

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts