| |
De woorden van Romke van de Kaa doen me even
denken aan Peter Sellers die 'the gardener' speelt in de film 'Being There'. De
uitspraken over planten, groei en natuur die de tuinman in die film maakt worden
als wijze maatschappelijke waarheden ervaren door de regering. De hoofdpersoon,
die zich niet bewust is van de analogieën die hij maakt, wordt verwelkomd
in deze wereld. Langzaam maar zeker zie je de tuinier vervreemden van zichzelf.
Romke van de Kaa gebruikt die analogie bewust en neemt 'de werkelijkheid' zoals
die is. Hij neemt waar en vraagt zich af wat mensen beweegt. "Loop maar eens
doordeweeks door een verlaten Vinexwijk. Het is er doodstil, iedereen is naar
zijn werk, de kinderen zijn naar de crèche. Je ziet alleen het busje van
de hondenuitlaatservice rondrijden. In die wijken, met tuinen van vijf bij tien
meter per huis, zie je dat het tuinontwerp en de -aanleg steeds vaker uitbesteed
wordt. In die tuinen is dan een rondje of een vierkantje gemaakt. Wat je tegenwoordig
heel vaak ziet is een kattenbaktuin: een tuin waarin grind of steenslag is gestort.
Niemand heeft meer tijd om in zijn tuin te werken, de tuin is er slechts om in
uit te blazen. Je voelt je heel onwerkelijk in zo'n wijk, toch is het een onvermijdelijke
ontwikkeling."
Van de Kaa neemt een geleidelijke verandering waar.
"Zag je nog jarenlang de, in de jaren zestig door Mien Ruys geïntroduceerde,
houten biels die in de tuin gebruikt werd, nu worden er imitatiebielzen gebruikt
van beton. In 1999 kwam er nog redelijk wat beplanting in de tuin voor, maar er
was al een duidelijke toename zichtbaar van verharding in tuinen. De omgevallen
amforen werden in die tuinen veelvuldig gebruikt als decoratie. De tuin anno 2001
is een steenlandschap geworden met zo hier en daar een 'menhir' erin. Soms is
er ook een combinatie van water en steen waar te nemen met slechts zo nu en dan
een plant omdat dat nou eenmaal in een tuin 'hoort'. Ik vind het vaak geknoei
met tamelijk dure materialen. Het ontbreekt nog steeds aan gedegen informatie
over zowel planten als andere tuinmaterialen. Mensen willen niet investeren in
langzaam groeiende bomen of planten als ze na een paar jaar toch weer gaan verhuizen.
De klant wil een instant-tuin."
Als tuinenjournalist schrijft Romke van de Kaa columns
voor De Gelderlander en artikelen in het NRC Handelsblad waarin hij vertelt, informeert
en provoceert. Daarnaast presenteert hij ook een radio- en televisieprogramma
over tuinen voor Omroep Gelderland. Zelf kijkt hij nooit naar tuinenprogramma's.
"Ik vind ze niet interessant, het informatiegehalte is nul. Alle tuinprogramma's
die er zijn gaan de kant uit van infotainment, een combinatie van geringe informatie
en veel entertainment. Wat de kijker in een half uur te zien krijgt is hoe je
een oude tuin in een zaterdagmiddag kunt transformeren tot een nieuwe. Het heeft
veel weg van een slapstick. De tuinenprogramma's die gemaakt worden passen helemaal
in de vluchtige tijd waarin we leven. Kinderen schijnen die programma's interessant
te vinden. Zelf maak ik ook zo'n soort infotainment. Dat heeft voor een groot
deel met budget te maken. Het liefst zou ik een tuinenprogramma willen maken waarin
je door de loop van een behoorlijke tijd de realistische ontwikkeling van een
tuin kunt laten zien. Het wezenlijke van een tuin vind ik juist dat die verandert
in de tijd. De processen van groei en afsterven, de gestage groei van een bol
of een boom. Mensen hebben nauwelijks nog geduld voor de natuur."
In 'De getemde wildernis', Van de Kaa's derde boek
dat vorig jaar is verschenen, geeft de schrijver de lezende tuinenliefhebber op
ongedwongen, vaak humoristische wijze, beplantingsadviezen en handige tips die
verpakt zijn in persoonlijke avonturen, anekdotes en verhalen. Een Van der Kaa
met realistische adviezen over de voorwaarden voor de groei van planten en bloemen
en de aankoop en verzorging daarvan worden afgewisseld met een Van de Kaa die
niet meer waarneemt maar de bloem slechts ondergaat. Een passage waarin de schrijver
zijn strijdlust toont als hij de heermoes in zijn tuin wil temmen om uiteindelijk
een gewapende vrede te sluiten wordt vooraf gegaan door een lyrische beschrijving
over het dappere sneeuwklokje dat zich door de bevroren grond naar boven worstelt.
Van de Kaa: "De lezers van mijn boeken zijn leunstoeltuiniers. Ze lezen er
liever over dan hard in die tuin te werken. Ik denk ook dat ze het als troostrijk
kunnen ervaren als ze lezen dat er bij mij ook wel eens wat mis gaat." In
'De getemde wildernis' heeft de schrijver de foto's bewust weggelaten. "Veel
tuinboeken geven een te romantisch en onrealistisch beeld. Ze hebben veel weg
van catalogi die een geweldig rooskleurig beeld schetsen. Veel informatie wordt
daarin ook weggelaten; hoe duur de planten zijn of hoe ze er na een onweersbui
uitzien. Ik vind dat je daar als tuinliefhebber niks mee opschiet."
Romke van de Kaa zegt niet alleen geïnteresseerd
te zijn in de botanische kant van de tuin, ook de lijnen en ruimte die een tuin
bepalen neemt hij mee in zijn perceptie. "Ik erger me nooit aan tuinen, maar
ik ben wel een voorstander van meer en betere ontwerpen. Ik vind niet dat een
tuinarchitect kunstenaar mag zijn in andermans tuin, hij kan slechts proberen
een kunstzinnig ontwerp te suggereren. Ik zie de tuinarchitect dus als adviseur,
als iemand die de eisen van een klant in zijn ontwerp meeneemt. Dat neemt niet
weg dat hij ook tegengas moet geven als hij of zij vindt dat de tuinbezitter iets
wil wat geen recht doet aan de tuin. De taak van een tuinarchitect is een klant
heel veel mogelijkheden en oplossingen aanbieden, waar de klant uit kan kiezen.
Ik denk dan bijvoorbeeld aan mogelijkheden om een tuin te verdiepen of optisch
groter te maken. Ik vind dat de hoogte daarbij te vaak vergeten wordt. Een boom
in een tuin die een verticale dieptewerking bewerkstelligt vind ik van belang.
De afwisseling licht en donker en de afwisseling in kleuren is ook iets waar de
tuinarchitect zijn klanten op kan wijzen. Menig tuinarchitect vergeet dat een
schaduwtuin erg mooi kan zijn."
Voor wat betreft de beplanting en beplantingsadviezen
kan de klant volgens Van de Kaa het best bij de hovenier terecht. "Ik vind
dat er door tuinarchitecten nog te weinig op een intelligente en creatieve manier
met beplanting omgegaan wordt. Volgens mij schort er wat aan de opleidingen als
je naar hun plantenkennis kijkt. Misschien zou je niet moeten verwachten dat een
tuinarchitect of -ontwerper zowel iets van architectuur als beplanting afweet.
De tuinarchitect die van beide markten thuis is, moet je met een lantaarntje zoeken."
Dat tuinarchitectuur door de overheid nog steeds
vaak als sluitpost wordt gezien vindt Van de Kaa jammer. "In Frankrijk is
er onder Mitterand veel geld aan tuinen en parken uitgegeven, het Parc André
Citroën is daar een uitvloeisel van. Het zou aardig zijn als er ook in Nederland
meer aandacht voor de buitenruimten zou komen. 'De Hoge Tuin' in Park Sonsbeek
vind ik een van de weinige voorbeelden waarin er echt aandacht besteed is aan
de kwaliteit van een buitenruimte. Ik zou in ons land wel wat meer en aardiger
beplanting willen zien als er pleinen en parken aangelegd worden. Maar het geld
dat er is, wordt voornamelijk uitgegeven aan permanente dingen.
Onderhoud van tuinen en parken kost natuurlijk geld. Het onderhoud dàt
gepleegd wordt is minimaal. Als je kijkt naar de manier waarop plantsoenendiensten
bezig zijn, die scheren gewoon alles alleen maar zo kaal mogelijk. Het ontbreekt
ze vaak aan fantasie. Op die manier wordt het natuurlijk nooit wat. Geef mij maar
een gemeentebestuur dat prachtige akkers en bloemenweiden in de stad aan wil laten
leggen."
"Wat ik de mooiste tuin vind die ik ken? Dat
zijn er meerdere. Een kennis van mij op de Veluwe heeft lang in Zuid-Amerika gewoond.
Hij heeft een jungleachtige tuin met lianen en enorme klimplanten. Die tuin is
heel individueel en en zegt veel over de persoon zelf. Maar alle leuke tuinen
zijn toch eigenlijk persoonlijk. De tuin van Jo Eyck van Kasteel Wylre in Zuid-Limburg
vind ik prachtig. Hij is kunstverzamelaar en tuinliefhebber. In zijn tuin spelen
de lijnen en vormen de hoofdrol; bijvoorbeeld het contrast tussen een strak geschoren
haag en een ongesnoeide vrijgroeiende boom. Er staan geen bloemen in. Iedere keer
als hij naar Engeland is geweest, is hij weer gegrepen door een aantal specifieke
bloemen om uiteindelijk steeds weer te besluiten dat er in zijn eigen tuin geen
bloemen horen. Hij beheerst als bloemen- en plantenliefhebber de kunst van het
weglaten, dat vind ik meesterlijk. En tot slot de tuin van Kasteel Villandry in
Frankrijk. Een reconstructie van een renaissancetuin. In plaats van die historisch
verantwoord in te richten met buxusparterres en bloemen, zoals in de tuin van
Het Loo gebeurd is, zijn de buxusparterres in deze tuin vol gezet met verschillende
groenten in mooie vormen en kleuren. De tuin van Het Loo vind ik te zeer een museum,
alleen maar interessant vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Ik vind het prachtig
als iemand een nieuwe impuls aan een oude tuin durft te geven.
Cécile van der Heijden
"De getemde wildernis" is in 2000 uitgegeven door Uitgeverij Contact.
|