| |
Het aanleggen van een tuin is, zoals veel mensen
denken, door de eeuwen heen juist niet louter een uiting van liefde voor de natuur
geweest. Tegen de natuur met haar stormen, koude en overstromingen wilde de mens
zich beschermen. In de Middeleeuwen probeerde de mens vooral via de tuin de natuur
te bezweren. De eigenaar kan in zijn tuin de natuur zijn wil opleggen en deze
ombouwen tot een cultureel verschijnsel. Rust en orde worden gekweekt, de angst
voor het onbekende bedwongen. De middeleeuwse hortus conclusus (omsloten tuin)
is hiervoor een metafoor; het bedwingen van de natuur geldt niet alleen de wilde
planten en dieren buiten de tuin; men wil vooral laten zien dat het de innerlijke
driften zijn die men weet te cultiveren. Oldenburger beschrijft in samenwerking
met anderen in haar gidsen voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur
de tuingeschiedenis vanaf die Middeleeuwen tot nu; de tijd waarin de mens in de
nieuwe natuurgebieden weer natuur wil 'maken' op cultuurgrond. Daarnaast geeft
zij in haar vier gidsen die verdeeld zijn in de delen Noord- Oost- Zuid- en West-Nederland
een beschrijving van alle historische tuinen in Nederland die te bezichtigen zijn;
buitenplaatsen, oude stadstuinen, kloostertuinen en pastorietuinen, ook als daar
nog slechts restanten van te vinden zijn of de tuin volgens een nieuw ontwerp
is gerenoveerd. De schrijfster probeert met deze boeken het inzicht in de tuin
als cultuurhistorisch monument te vergroten en te stimuleren dat er meer aandacht
komt voor het belang van handhaving en restauratie van historische tuinen en de
daarmee samenhangende structuren in het landschap.
Oorspronkelijk als biologe opgeleid met de specialisaties
botanische ecologie en biohistorie begon Oldenburger eind jaren zestig haar werk
op het biohistorisch instituut van de Utrechtse universiteit met het bestuderen
van planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Ze gaf colleges over de
geschiedenis van de botanie, waarbij ook de geschiedenis van de kruidenboeken
ter sprake kwam. Studenten kunstgeschiedenis konden bij haar onderzoeken welke
schilder welke bloemen gebruikte in zijn schilderijen en er werden links gelegd
naar de medische toepassing van die bloemen. Een aantal jaren later verlegde ze
het accent naar beplantingsgeschiedenis van tuinen en parken; welke planten komen
in welke tijd voor. Oldenburger: "Ik ging zoeken naar de oorspronkelijke
beplanting die gebruikt werd in de tijd dat een tuin of park werd aangelegd. Ik
vond het van belang dat bij een eventuele tuin- of parkrestauratie van een monument
er bijvoorbeeld de oorspronkelijke eiken werden neergezet en niet iets heel anders.
We deden onderzoeken naar en werkten veel voor verschillende landgoederen. Later
is dat uitgegroeid tot mijn adviserende functie in de Raad van Cultuur, ik bracht
advies uit over welke buitenplaatsen als monumenten konden worden aangemerkt.
"
Midden jaren zeventig werd Carla Oldenburger benaderd
voor de restauratie van de tuin van Paleis Het Loo. Voor de restauratie van zo'n
grote tuin als die van Het Loo werd een speciale werkgroep opgericht. "Ik
deed de plantjes, maar in zo'n werkgroep zit bijvoorbeeld ook een beeldenexpert,
of een groep tuinarchitecten die zich met het beplantingsplan bezig houdt. Aan
mij werd gevraagd om uit te zoeken welke planten in 1684 in de tuin van Het Loo
moeten hebben gestaan. Ik had tot op dat moment alleen nog ervaring met de beplanting
van landgoederen, ik wist nog weinig over de beplanting van formele tuinen. Ik
moest dus met hulp van studenten bronnen gaan opsporen; geschriften en afbeeldingen.
Vanaf 1975 tot 1984 zijn we daar uiteindelijk mee bezig geweest. We gingen eerst
de schriftelijke bronnen uit die tijd bestuderen; wat is er in die tijd geschreven
over de tuin en de planten van Het Loo. Dat was ontzettend weinig. Twee bronnen
leverden een lijstje van zo'n dertig planten op, dat was natuurlijk niet voldoende.
We gingen daarom zoeken naar bronnen over de andere paleistuinen van Willem de
Derde, die in die tijd op Het Loo woonde. Uiteindelijk vonden we pas veel later
in het traject in Florence een manuscript dat ons een stuk verder hielp. Daarnaast
hebben we een groot aantal planten gehaald uit de bestseller uit die tijd; 'Den
Nederlandtsen Hovenier' uit 1669, tot 1721 vijftien keer herdrukt. Dat boek leverde
weer een ander complicatie; er werden plantennamen in gebruikt die stamden uit
de tijd voordat Linnaeus zijn binaire nomenclatuur had geïntroduceerd. Sommigen
namen waren nog hetzelfde als nu, maar andere totaal onbekend. Een student heeft
daar een jaar lang onderzoek naar gedaan; de beschrijvingen bij de planten moesten
duidelijk maken welke naam bij welke plant hoorde."
Bij de restauraties van formele historische tuinen
wordt steeds geprobeerd om dezelfde botanische soort als de historische te gebruiken.
Dat lukt niet altijd: "In de zeventiende eeuw hadden de mensen een voorkeur
voor dubbelbladige en gestreepte bloemen. Sommige daarvan worden nog wel gekweekt,
maar andere zijn echt niet meer verkrijgbaar. En we hebben het kleurenschema van
de bloemen van Het Loo zelf moeten bepalen, dat was namelijk niet bekend. Er kan
dus nooit volledig authentiek gerestaureerd worden. Ook worden er natuurlijk op
de andere gebieden moderne technieken gebruikt en passen we ons ook aan deze tijd
aan. Er worden bijvoorbeeld geen paden van schelpen aangelegd, maar van grind,
en dat vraagt weer natuurstenen randen om het spatten van dit grind veroorzaakt
door rolstoelgebruikers op te vangen. En in de tuin van Het Loo is ook verlichting
aangebracht."
Vanuit haar verschillende ervaringen ging Oldenburger
twintig jaar geleden van de Universiteit van Utrecht naar de universiteitsbibliotheek
van de Universiteit van Wageningen waar ze vorig jaar afscheid heeft genomen.
In Wageningen heeft ze de 'Speciale Collecties' van de universiteitsbibliotheek,
de uitgebreide collectie Springer opgezet. "In het archief van de bibliotheek
lagen vele oude ontwerpen, boeken en documenten door elkaar. We hebben om te beginnen
eerst maar eens alle oude boeken en tijdschriften over tuin- en landschapsarchitectuur
geordend. Daarnaast waren er twaalfhonderd tekeningen en achthonderd hele mooie
18e eeuwse prenten van Springer. Er waren ook nog zo'n drie meter dossiermappen
met prentbriefkaarten en met brieven van Springer die geïnventariseerd moesten
worden. We zijn lange tijd met alleen maar die collectie bezig geweest. Daarna
zijn we ook breder gaan kijken; met welke tuinarchitecten werkte Springer samen
en in welke kringen verkeerde hij? We hebben heel veel materiaal verzameld en
gekregen over die omgeving van Springer. Ook materiaal van Tersteeg, Bijhouwer,
Poortman, Boer, Warnau, Otto en nog heel veel anderen kwam erbij. In totaal hebben
we nu een collectie met zo'n vijftienduizend documenten. We hebben ook een fototheek
die gerangschikt is op woonplaats. Al die collecties zijn voor iedereen toegankelijk."
Tot die tijd was er vanuit de universitaire wereld
nauwelijks aandacht voor het belang van de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur.
Oldenburger: "En dat is nog steeds het geval, eigenlijk is dat ook wel begrijpelijk;
de meeste tuin- en landschapsarchitecten willen kunstenaar zijn en nieuwe ontwerpen
maken. Ze vinden de historie niet interessant. Ik vind dat jammer. Ook binnen
het universitair onderwijs werd en wordt er nog steeds geringe waarde toegekend
aan de historie van de tuin- en landschapsarchitectuur. Ik zou het van belang
vinden dat het historische aspect wel meer geïntegreerd zou raken binnen
het huidige vakgebied. Laat er maar eens een hoogleraar komen in het vak die de
nadruk zou leggen op de geschiedenis van de, met name Nederlandse, tuin- en landschapsarchitectuur,
en op de waardestelling en de restauratie van historische tuinen en paren. Iemand
die ook vanuit de historie een toekomstvisie zou kunnen geven op het vakgebied.
Of laat er een gedeeld professoraat worden ingesteld; iemand voor de kunsthistorische
aspecten en iemand voor de botanisch-historische kant van het geheel."
Hoewel ze vorig jaar afscheid heeft genomen van
haar werk in Wageningen is Carla Oldenburger nog volop actief. Vanuit hun gezamenlijke
kennis en expertise heeft ze vorig jaar samen met haar dochter, Juliet Oldenburger;
kunstenaar en kunsthistorica, 'Oldenburgers advies- en ontwerpbureau voor historische
tuinen en parken' opgericht. Samen geven ze adviezen voor restauratie en renovatie,
doen suggesties voor historische beplantingen, maar geven ook ideeën voor
het verwerkelijken van historische tuinen. Daarnaast schrijven ze ook beleidsvisies
als basis voor herstelplannen en monumentenbeschrijvingen en geven lezingen, cursussen
en tours. Oldenburger: "Omdat we samenwerken vanuit verschillende achtergronden
die toch veel verbanden tonen kunnen we multi-disciplinair werken. Onze kennis
is enerzijds gebaseerd op een botanische en cultuurhistorische achtergrond, en
heeft anderzijds een kunsthistorische en artistieke benadering. We hebben op dit
moment verschillend projecten lopen. We begeleiden bijvoorbeeld de restauratie
van de historische buitenplaats 'Nieuw Heemstede', maar geven ook cursussen over
de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur."
"Welke stijl ik zelf het meest interessant
vind? Een goede landschapsstijl waarin je langs allerlei scènes kunt lopen,
langs theehuisjes of bijvoorbeeld een kluizenaarshutje. Ik vind dat spannender
dan bijvoorbeeld een formele tuin als die van Het Loo waar je in een keer alles
kunt overzien. Ik houd ook meer van bloemen die zo dicht mogelijk bij hun oorspronkelijke
vorm staan, ik heb niks met rozen. De mooiste tuin? Die vind ik niet interessant.
Ik houd van tuinen die heel interessant zijn geweest, waarin je een stuk geschiedenis
ziet. De elementen die je daarvan nog kunt zien boeien me, bijvoorbeeld het stukje
laan dat nog zichtbaar is in die verwaarloosde tuin. Ik houd ervan om naar de
verborgen geschiedenis te zoeken in een tuin zoals die is geweest."
Cécile van der Heijden
De Gidsen voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur zijn uitgegeven
door Uitgeverij De Hef publishers uit Rotterdam
De werken van onder meer de genoemde tuin- en landschapsarchitecten kunt
u vinden in de Speciale Collectie van de Universiteitsbibliotheek van Wageningen,
Generaal Foulkesweg 19 in Wageningen, www.agralin.nl
|