Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 3 • NUMMER 1

21 april 2001

 
       
  •  "De meeste tuinarchitecten vinden de historie niet interessant"
Interview met Carla Oldenburger-Ebbers
 
       
   
   
 
 

     Twintigduizend documenten over Nederlandse tuingeschiedenis heeft ze de afgelopen twintig jaar verzameld en geordend voor de speciale collecties van de Universiteitsbibliotheek van Wageningen. De tuinarchitectuurgeschiedenis was tot op dat moment een verwaarloosd gebied. Ze heeft een belangrijk deel van het vierdelige standaardwerk 'Gids voor de Nederlands Tuin- en Landschapsarchitectuur' geschreven. Haar uitgever wacht op haar achtste boek dat zal gaan over het werk van de tuinarchitect Zocher. Ze is nog maar net met de vut, maar Oldenburgers advies- en ontwerpbureau voor historische tuinen en parken is al opgericht. De leden van het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur (NVTL) menen unaniem dat Carla Oldenburger-Ebbers (1939) haar inzet voor de verbetering van het niveau van de beroepsuitoefening in de tuin- en landschapsarchitectuur meer dan bewezen heeft. Dit voorjaar ontvangt zij de NVTL-trofee.

   
 

     Het aanleggen van een tuin is, zoals veel mensen denken, door de eeuwen heen juist niet louter een uiting van liefde voor de natuur geweest. Tegen de natuur met haar stormen, koude en overstromingen wilde de mens zich beschermen. In de Middeleeuwen probeerde de mens vooral via de tuin de natuur te bezweren. De eigenaar kan in zijn tuin de natuur zijn wil opleggen en deze ombouwen tot een cultureel verschijnsel. Rust en orde worden gekweekt, de angst voor het onbekende bedwongen. De middeleeuwse hortus conclusus (omsloten tuin) is hiervoor een metafoor; het bedwingen van de natuur geldt niet alleen de wilde planten en dieren buiten de tuin; men wil vooral laten zien dat het de innerlijke driften zijn die men weet te cultiveren. Oldenburger beschrijft in samenwerking met anderen in haar gidsen voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur de tuingeschiedenis vanaf die Middeleeuwen tot nu; de tijd waarin de mens in de nieuwe natuurgebieden weer natuur wil 'maken' op cultuurgrond. Daarnaast geeft zij in haar vier gidsen die verdeeld zijn in de delen Noord- Oost- Zuid- en West-Nederland een beschrijving van alle historische tuinen in Nederland die te bezichtigen zijn; buitenplaatsen, oude stadstuinen, kloostertuinen en pastorietuinen, ook als daar nog slechts restanten van te vinden zijn of de tuin volgens een nieuw ontwerp is gerenoveerd. De schrijfster probeert met deze boeken het inzicht in de tuin als cultuurhistorisch monument te vergroten en te stimuleren dat er meer aandacht komt voor het belang van handhaving en restauratie van historische tuinen en de daarmee samenhangende structuren in het landschap.
     Oorspronkelijk als biologe opgeleid met de specialisaties botanische ecologie en biohistorie begon Oldenburger eind jaren zestig haar werk op het biohistorisch instituut van de Utrechtse universiteit met het bestuderen van planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Ze gaf colleges over de geschiedenis van de botanie, waarbij ook de geschiedenis van de kruidenboeken ter sprake kwam. Studenten kunstgeschiedenis konden bij haar onderzoeken welke schilder welke bloemen gebruikte in zijn schilderijen en er werden links gelegd naar de medische toepassing van die bloemen. Een aantal jaren later verlegde ze het accent naar beplantingsgeschiedenis van tuinen en parken; welke planten komen in welke tijd voor. Oldenburger: "Ik ging zoeken naar de oorspronkelijke beplanting die gebruikt werd in de tijd dat een tuin of park werd aangelegd. Ik vond het van belang dat bij een eventuele tuin- of parkrestauratie van een monument er bijvoorbeeld de oorspronkelijke eiken werden neergezet en niet iets heel anders. We deden onderzoeken naar en werkten veel voor verschillende landgoederen. Later is dat uitgegroeid tot mijn adviserende functie in de Raad van Cultuur, ik bracht advies uit over welke buitenplaatsen als monumenten konden worden aangemerkt. "
     Midden jaren zeventig werd Carla Oldenburger benaderd voor de restauratie van de tuin van Paleis Het Loo. Voor de restauratie van zo'n grote tuin als die van Het Loo werd een speciale werkgroep opgericht. "Ik deed de plantjes, maar in zo'n werkgroep zit bijvoorbeeld ook een beeldenexpert, of een groep tuinarchitecten die zich met het beplantingsplan bezig houdt. Aan mij werd gevraagd om uit te zoeken welke planten in 1684 in de tuin van Het Loo moeten hebben gestaan. Ik had tot op dat moment alleen nog ervaring met de beplanting van landgoederen, ik wist nog weinig over de beplanting van formele tuinen. Ik moest dus met hulp van studenten bronnen gaan opsporen; geschriften en afbeeldingen. Vanaf 1975 tot 1984 zijn we daar uiteindelijk mee bezig geweest. We gingen eerst de schriftelijke bronnen uit die tijd bestuderen; wat is er in die tijd geschreven over de tuin en de planten van Het Loo. Dat was ontzettend weinig. Twee bronnen leverden een lijstje van zo'n dertig planten op, dat was natuurlijk niet voldoende. We gingen daarom zoeken naar bronnen over de andere paleistuinen van Willem de Derde, die in die tijd op Het Loo woonde. Uiteindelijk vonden we pas veel later in het traject in Florence een manuscript dat ons een stuk verder hielp. Daarnaast hebben we een groot aantal planten gehaald uit de bestseller uit die tijd; 'Den Nederlandtsen Hovenier' uit 1669, tot 1721 vijftien keer herdrukt. Dat boek leverde weer een ander complicatie; er werden plantennamen in gebruikt die stamden uit de tijd voordat Linnaeus zijn binaire nomenclatuur had geïntroduceerd. Sommigen namen waren nog hetzelfde als nu, maar andere totaal onbekend. Een student heeft daar een jaar lang onderzoek naar gedaan; de beschrijvingen bij de planten moesten duidelijk maken welke naam bij welke plant hoorde."
     Bij de restauraties van formele historische tuinen wordt steeds geprobeerd om dezelfde botanische soort als de historische te gebruiken. Dat lukt niet altijd: "In de zeventiende eeuw hadden de mensen een voorkeur voor dubbelbladige en gestreepte bloemen. Sommige daarvan worden nog wel gekweekt, maar andere zijn echt niet meer verkrijgbaar. En we hebben het kleurenschema van de bloemen van Het Loo zelf moeten bepalen, dat was namelijk niet bekend. Er kan dus nooit volledig authentiek gerestaureerd worden. Ook worden er natuurlijk op de andere gebieden moderne technieken gebruikt en passen we ons ook aan deze tijd aan. Er worden bijvoorbeeld geen paden van schelpen aangelegd, maar van grind, en dat vraagt weer natuurstenen randen om het spatten van dit grind veroorzaakt door rolstoelgebruikers op te vangen. En in de tuin van Het Loo is ook verlichting aangebracht."
     Vanuit haar verschillende ervaringen ging Oldenburger twintig jaar geleden van de Universiteit van Utrecht naar de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Wageningen waar ze vorig jaar afscheid heeft genomen. In Wageningen heeft ze de 'Speciale Collecties' van de universiteitsbibliotheek, de uitgebreide collectie Springer opgezet. "In het archief van de bibliotheek lagen vele oude ontwerpen, boeken en documenten door elkaar. We hebben om te beginnen eerst maar eens alle oude boeken en tijdschriften over tuin- en landschapsarchitectuur geordend. Daarnaast waren er twaalfhonderd tekeningen en achthonderd hele mooie 18e eeuwse prenten van Springer. Er waren ook nog zo'n drie meter dossiermappen met prentbriefkaarten en met brieven van Springer die geïnventariseerd moesten worden. We zijn lange tijd met alleen maar die collectie bezig geweest. Daarna zijn we ook breder gaan kijken; met welke tuinarchitecten werkte Springer samen en in welke kringen verkeerde hij? We hebben heel veel materiaal verzameld en gekregen over die omgeving van Springer. Ook materiaal van Tersteeg, Bijhouwer, Poortman, Boer, Warnau, Otto en nog heel veel anderen kwam erbij. In totaal hebben we nu een collectie met zo'n vijftienduizend documenten. We hebben ook een fototheek die gerangschikt is op woonplaats. Al die collecties zijn voor iedereen toegankelijk."
     Tot die tijd was er vanuit de universitaire wereld nauwelijks aandacht voor het belang van de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur. Oldenburger: "En dat is nog steeds het geval, eigenlijk is dat ook wel begrijpelijk; de meeste tuin- en landschapsarchitecten willen kunstenaar zijn en nieuwe ontwerpen maken. Ze vinden de historie niet interessant. Ik vind dat jammer. Ook binnen het universitair onderwijs werd en wordt er nog steeds geringe waarde toegekend aan de historie van de tuin- en landschapsarchitectuur. Ik zou het van belang vinden dat het historische aspect wel meer geïntegreerd zou raken binnen het huidige vakgebied. Laat er maar eens een hoogleraar komen in het vak die de nadruk zou leggen op de geschiedenis van de, met name Nederlandse, tuin- en landschapsarchitectuur, en op de waardestelling en de restauratie van historische tuinen en paren. Iemand die ook vanuit de historie een toekomstvisie zou kunnen geven op het vakgebied. Of laat er een gedeeld professoraat worden ingesteld; iemand voor de kunsthistorische aspecten en iemand voor de botanisch-historische kant van het geheel."
     Hoewel ze vorig jaar afscheid heeft genomen van haar werk in Wageningen is Carla Oldenburger nog volop actief. Vanuit hun gezamenlijke kennis en expertise heeft ze vorig jaar samen met haar dochter, Juliet Oldenburger; kunstenaar en kunsthistorica, 'Oldenburgers advies- en ontwerpbureau voor historische tuinen en parken' opgericht. Samen geven ze adviezen voor restauratie en renovatie, doen suggesties voor historische beplantingen, maar geven ook ideeën voor het verwerkelijken van historische tuinen. Daarnaast schrijven ze ook beleidsvisies als basis voor herstelplannen en monumentenbeschrijvingen en geven lezingen, cursussen en tours. Oldenburger: "Omdat we samenwerken vanuit verschillende achtergronden die toch veel verbanden tonen kunnen we multi-disciplinair werken. Onze kennis is enerzijds gebaseerd op een botanische en cultuurhistorische achtergrond, en heeft anderzijds een kunsthistorische en artistieke benadering. We hebben op dit moment verschillend projecten lopen. We begeleiden bijvoorbeeld de restauratie van de historische buitenplaats 'Nieuw Heemstede', maar geven ook cursussen over de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur."
     "Welke stijl ik zelf het meest interessant vind? Een goede landschapsstijl waarin je langs allerlei scènes kunt lopen, langs theehuisjes of bijvoorbeeld een kluizenaarshutje. Ik vind dat spannender dan bijvoorbeeld een formele tuin als die van Het Loo waar je in een keer alles kunt overzien. Ik houd ook meer van bloemen die zo dicht mogelijk bij hun oorspronkelijke vorm staan, ik heb niks met rozen. De mooiste tuin? Die vind ik niet interessant. Ik houd van tuinen die heel interessant zijn geweest, waarin je een stuk geschiedenis ziet. De elementen die je daarvan nog kunt zien boeien me, bijvoorbeeld het stukje laan dat nog zichtbaar is in die verwaarloosde tuin. Ik houd ervan om naar de verborgen geschiedenis te zoeken in een tuin zoals die is geweest."

Cécile van der Heijden

De Gidsen voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur zijn uitgegeven door Uitgeverij De Hef publishers uit Rotterdam

De werken van onder meer de genoemde tuin- en landschapsarchitecten kunt u vinden in de Speciale Collectie van de Universiteitsbibliotheek van Wageningen, Generaal Foulkesweg 19 in Wageningen, www.agralin.nl

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts