Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 3 • NUMMER 1

21 april 2001

 
       
  •  "Een boom tot kunstwerk maken"
Interview met Jan Freriks
 
       
   
   
 
 

     Met het verdwijnen van de klassieke fruitteelt onttrekken niet alleen de hoogstamboomgaarden zich aan onze visuele belevingswereld, maar ook de zorgvuldig gekozen vormen van de kleinschalige fruitteelt aan leibomen. De geschiedenis van dat zogeheten leifruit begint zo'n vijfhonderd jaar geleden met het planten van fruitbomen tegen muren omdat het fruit door de muurwarmte eerder zal rijpen. Het klimaat van een zuidmuur komt immers overeen met het Midden-Franse klimaat. In met name Overijssel en Gelderland groeide die cultuurvorm uit tot een kunstvorm; daar werd en wordt het leifruit op sommige landgoederen en kastelen in ere gehouden. Niet alleen om met kundig vakmanschap een vroege en goede fruitsoort te kweken. De immateriële cultuur speelt een minstens even grote rol; de gekozen vormen van de gesnoeide vormbomen, zoals palmet en pauwstaart, kunnen de schoonheid van een tuin danig bepalen. Maar slechts een enkeling weet tegenwoordig nog hoe er gesneden, gesnoeid of gebogen moet worden om de boom tot kunstwerk te maken. Jan Freriks (1929) doet er alles aan om de kennis over leifruit bij hoveniers, tuinliefhebbers en andere geïnteresseerden levend te houden.

   
 

     "Het moet toch in de genen zitten," zegt Freriks. "In archieven kwam ik ook al boeken tegen over fruitteelt van ene Freriks." Bij Freriks thuis hadden ze een gemengd bedrijf met onder meer vier hectare hoogstamfruitbomen. Hij werd opgeleid als tuinbouwvakonderwijzer om later in de praktijk zo'n dertig jaar onderzoek te doen naar onder andere oude fruitrassen en geïntegreerde bestrijdingsmiddelen met als doel de nuttige vijanden te sparen. De vakmensen van toen zijn aan het verdwijnen volgens Freriks. "Tegenwoordig wordt binnen de opleidingen de nadruk gelegd op feitenkennis. Aan achtergrondinformatie en inzicht wordt weinig aandacht besteed. Doordat de opleidingen zo breed zijn geworden, is de specifieke kennis vernauwd. Ik ben de laatste geweest die in de jaren vijftig nog onderwijs gekregen heeft over leifruitteelt. Ik vind het jammer dat de moderne fruitteler zo weinig ambachtelijke kennis meer heeft. Het is puur techniek en economie geworden, het ambacht en de liefde voor het vak zijn naar de achtergrond geraakt."
     Zijn liefde voor de leifruitbomen heeft Freriks al op jonge leeftijd meegekregen. Als jongen ging hij één keer in de maand op bezoek bij zijn oom die tuinbroeder was in het klooster van Abdij Sion in Diepenveen. "Hij werkte aan fruitteelt in tuinkassen en fruitteelt in potten met de bedoeling de oogst te verfijnen en zo'n maand te vervroegen. Aan zo'n boompje in een pot komen wel zo'n twintig appels of dertig peren. Een keer in de zeven jaar kwam de overste uit Rome op bezoek. Dan stonden de fruitbomen in potten op tafel in de refter. Na de toespraak en de maaltijd kon er dan een appel, peer of perzik van het boompje geplukt en genuttigd worden. Ook op kastelen en buitenplaatsen werd op deze manier, onder meer na de jacht, het dessert genuttigd. Daarnaast was mijn oom ontzettend goed in leifruitbomen telen. Hij had natuurlijk ook veel tijd om te lezen en met andere mensen kennis uit te wisselen. Ik heb heel veel aan hem gevraagd en van hem geleerd. Hij was bijzonder goed in het vormen van de bomen, onder meer in de verschillende palmetvormen. Daarbij gaat het om leibomen waarvan de gesteltakken, die het geraamte van de boom bepalen, op regelmatige afstanden van elkaar en evenwijdig aan elkaar opgekweekt zijn."
     In 'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' (1994) heeft Jan Freriks samen met tuinarchitect en hoogleraar Wybe Kuitert de geschiedenis en techniek van het snoeien van leifruit beschreven. Die geschiedenis van het leifruit begint zo'n vijfhonderd jaar geleden in Frankrijk. Er wordt verondersteld dat het koudere klimaat in de zeventiende en achttiende eeuw het belang van de 'warme' techniek vergroot heeft. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw was er vooral in Frankrijk een levendige belangstelling voor leifruit. Talrijke handleidingen kwamen in omloop in handzame boekjes. Deze handboekjes vormen de basis waarmee Jean de la Quintinye in Versailles rond 1680 de moes- en fruittuin van Lodewijk de Veertiende opzette. Door zijn werk kreeg het telen van fruit in lei- en vormbomen een vorstelijke allure. Nut en schoonheid werden verenigd binnen één concept.
     Vooral in Holland werden siermuren waar leibomen tegen gekweekt werden een ware rage. Niet alleen in de stad maar ook op de buitenplaats verleende fruit extra glans aan de mooie zijde van de wereld. Verschillende Hollandse dichters, waaronder Jacob Cats en Constantijn Huygens, lieten zich erop voorstaan dat ze zelf hun bomen snoeiden en spraken ook over het leifruit in hun poëzie. De dichters roemden in hun hofdichten het fruit als metafoor van deugd, lering en vermaak. Snoeien, enten en oculeren werd als voorbeeld gesteld van oefening in moraal, levenswijsheid en eruditie, opgedaan in de natuur die gevoeld werd als de goedheid Gods. Toen tegen het einde van de zeventiende eeuw de fruitteelt op de buitenplaats onder Franse invloed kwam, onder meer door het verschijnen van een boek van La Quintinye, nam de culturele betekenis toe; hij sterkte de tuinboekenschrijvers en de buitenplaatsbezitters in het gevoel dat het telen van fruit een aristocratische bezigheid was.
     Rond de negentiende eeuw werd de basis gelegd voor de taille raisonnée, de beredeneerde snoei. Deze manier van snoeien is erop gericht een boom niet vrij te laten groeien om die daarna te snoeien, maar om de takken van een boom van jongs af aan met een voorbestemde functie op te kweken. De leiboom vroeg en vraagt van de tuinlieden een intelligente snoei, waardoor sommige tuinbazen zich ontwikkelden tot directeuren met de status van wetenschapper. Ze publiceerden hun bevindingen en hun kennis werd uitgewisseld op internationale congressen. Aan het begin van de twintigste eeuw werd het kweken van fruit in de tuin een bijzaak, het leifruit werd zelfs zeldzaamheid. Nieuwe machinegerichte fruitteelttechnieken en andere fruitrassen namen rond 1950 de plaats in van de oude snoeitechniek en leifruit bleef als een museale curiositeit alleen over op enkele historische plaatsen.
     Freriks heeft in samenwerking met Kuitert door een uitgebreid cultuurtechnisch deel over snoeien en kweken aan bod te laten komen in 'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' het werk ook tot handboek gemaakt. In 'De teelt van leifruitbomen' (1997) beschrijft hij uitvoerig de kunst van het snoeien van oude fruitrassen die geschikt zijn voor de teelt als leivorm. Sinds twaalf jaar geeft hij ook les in het opkweken en snoeien van leifruit op buitenplaatsen en kastelen. Freriks: "Vanaf mijn jeugd tot die tijd was ik steeds wel bezig met fruit en bleef ik ook wel praten met tuinbazen, maar ik had weinig meer gedaan met de kennis en de voorliefde die ik in mijn jeugd tijdens mijn bezoeken aan het klooster opdeed. De cursussen die ik nu geef over leifruit duren zo'n drie tot vier jaar. Een kleine groep mensen komt daarvoor zo'n vier keer per jaar een dag bij elkaar. We beginnen met het opkweken van een eenjarige boom. Je kunt in Nederland ook wel leifruitbomen kopen bij de hovenier, maar die zijn vaak veel te snel opgekweekt, zo'n boom wordt topzwaar. Bovendien nemen ze daar gewone fruitteeltrassen voor, terwijl het van belang is om gebruik te maken van de oude rassen. Ik vind dat ze veel te commercieel bezig zijn; zulke bomen worden nooit goede leifruitbomen. Je kunt wel prima leifruitbomen importeren uit België en Frankrijk. Die zijn zo'n driehonderd gulden per stuk, maar daar zit dan ook wel zes jaar kweekwerk in."
     "Tijdens de cursus leer ik de mensen het werkelijke ambacht; het systematische opkweken door de jaren heen. Het is van belang dat de energie door de hele boom gelijk verdeeld is. Als dat niet gebeurt ontstaat er een onevenwichtige boom die ook niet aan de vorm voldoet. De boom houdt zijn natuurlijke groeiwijze aan, maar we dwingen die wel in een vorm. Een perenboom kan bijvoorbeeld een extreme vorm verdragen omdat de takken buigzaam zijn. Een appelboom, met harder hout, kun je alleen maar rondbuigen, bijvoorbeeld in de vorm van een hooihark. De tijd ertussen bepaalt alles. Het is dus ook niet met snelheid of met bamboestokken af te dwingen zoals veel Nederlands boomkwekers wel proberen. Het is toch ook betekenisvol dat de bomen uit de commerciële teelt na zo'n twintig jaar gerooid moeten worden, terwijl de oudere, sterke rassen vaak wel meer dan honderd jaar oud kunnen worden."
     Freriks, die steeds op bevlogen toon over fruitteelt spreekt, heeft de laatste jaren ook vier leraren opgeleid om de kennis over leifruitteelt zeker te stellen. Ze geven les in deze hovenierskunst aan kleine groepen of aan particulieren. Freriks: "Het is geen massawerk, het is een cultuurhistorisch goed, een hovenierskunst waar je tijd en aandacht aan moet besteden. Mensen die geïnteresseerd zijn in leifruitbomen raad ik aan geïmporteerde voorgevormde bomen van vier of vijf jaar oud te kopen. Om werkelijk kennis te verwerven is het echter wel noodzakelijk om een cursus te volgen, dan kun je ook zelf starten met eenjarige bomen."
     "Het kan ook heel aardig zijn om eerst eens op verschillende plaatsten te kijken naar leifruitvormen. Dat kan bijvoorbeeld op afspraak bij Landgoed Dordwijk in Dordrecht of bij Kasteel Het Manpad in Heemstede. Die laatste tuin vind ik overigens ook de mooiste tuin die ik ken. Er staan allemaal uitgegroeide leibomen van zo'n zestig tot zeventig jaar oud. Bomen op leeftijd dus. Meestal zie je bij die oude bomen dat ze versleten zijn geraakt of onevenwichtig gegroeid zijn. Dat is bij deze bomen niet het geval; de vorm is goed en evenwichtig gebleven."

Cécile van der Heijden

'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' is in 1994 uitgebracht door Uitgeverij De Hef uit Rotterdam.

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts