| |
"Het moet toch in de genen zitten,"
zegt Freriks. "In archieven kwam ik ook al boeken tegen over fruitteelt van
ene Freriks." Bij Freriks thuis hadden ze een gemengd bedrijf met onder meer
vier hectare hoogstamfruitbomen. Hij werd opgeleid als tuinbouwvakonderwijzer
om later in de praktijk zo'n dertig jaar onderzoek te doen naar onder andere oude
fruitrassen en geïntegreerde bestrijdingsmiddelen met als doel de nuttige
vijanden te sparen. De vakmensen van toen zijn aan het verdwijnen volgens Freriks.
"Tegenwoordig wordt binnen de opleidingen de nadruk gelegd op feitenkennis.
Aan achtergrondinformatie en inzicht wordt weinig aandacht besteed. Doordat de
opleidingen zo breed zijn geworden, is de specifieke kennis vernauwd. Ik ben de
laatste geweest die in de jaren vijftig nog onderwijs gekregen heeft over leifruitteelt.
Ik vind het jammer dat de moderne fruitteler zo weinig ambachtelijke kennis meer
heeft. Het is puur techniek en economie geworden, het ambacht en de liefde voor
het vak zijn naar de achtergrond geraakt."
Zijn liefde voor de leifruitbomen heeft Freriks
al op jonge leeftijd meegekregen. Als jongen ging hij één keer in
de maand op bezoek bij zijn oom die tuinbroeder was in het klooster van Abdij
Sion in Diepenveen. "Hij werkte aan fruitteelt in tuinkassen en fruitteelt
in potten met de bedoeling de oogst te verfijnen en zo'n maand te vervroegen.
Aan zo'n boompje in een pot komen wel zo'n twintig appels of dertig peren. Een
keer in de zeven jaar kwam de overste uit Rome op bezoek. Dan stonden de fruitbomen
in potten op tafel in de refter. Na de toespraak en de maaltijd kon er dan een
appel, peer of perzik van het boompje geplukt en genuttigd worden. Ook op kastelen
en buitenplaatsen werd op deze manier, onder meer na de jacht, het dessert genuttigd.
Daarnaast was mijn oom ontzettend goed in leifruitbomen telen. Hij had natuurlijk
ook veel tijd om te lezen en met andere mensen kennis uit te wisselen. Ik heb
heel veel aan hem gevraagd en van hem geleerd. Hij was bijzonder goed in het vormen
van de bomen, onder meer in de verschillende palmetvormen. Daarbij gaat het om
leibomen waarvan de gesteltakken, die het geraamte van de boom bepalen, op regelmatige
afstanden van elkaar en evenwijdig aan elkaar opgekweekt zijn."
In 'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' (1994)
heeft Jan Freriks samen met tuinarchitect en hoogleraar Wybe Kuitert de geschiedenis
en techniek van het snoeien van leifruit beschreven. Die geschiedenis van het
leifruit begint zo'n vijfhonderd jaar geleden in Frankrijk. Er wordt verondersteld
dat het koudere klimaat in de zeventiende en achttiende eeuw het belang van de
'warme' techniek vergroot heeft. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw was
er vooral in Frankrijk een levendige belangstelling voor leifruit. Talrijke handleidingen
kwamen in omloop in handzame boekjes. Deze handboekjes vormen de basis waarmee
Jean de la Quintinye in Versailles rond 1680 de moes- en fruittuin van Lodewijk
de Veertiende opzette. Door zijn werk kreeg het telen van fruit in lei- en vormbomen
een vorstelijke allure. Nut en schoonheid werden verenigd binnen één
concept.
Vooral in Holland werden siermuren waar leibomen
tegen gekweekt werden een ware rage. Niet alleen in de stad maar ook op de buitenplaats
verleende fruit extra glans aan de mooie zijde van de wereld. Verschillende Hollandse
dichters, waaronder Jacob Cats en Constantijn Huygens, lieten zich erop voorstaan
dat ze zelf hun bomen snoeiden en spraken ook over het leifruit in hun poëzie.
De dichters roemden in hun hofdichten het fruit als metafoor van deugd, lering
en vermaak. Snoeien, enten en oculeren werd als voorbeeld gesteld van oefening
in moraal, levenswijsheid en eruditie, opgedaan in de natuur die gevoeld werd
als de goedheid Gods. Toen tegen het einde van de zeventiende eeuw de fruitteelt
op de buitenplaats onder Franse invloed kwam, onder meer door het verschijnen
van een boek van La Quintinye, nam de culturele betekenis toe; hij sterkte de
tuinboekenschrijvers en de buitenplaatsbezitters in het gevoel dat het telen van
fruit een aristocratische bezigheid was.
Rond de negentiende eeuw werd de basis gelegd voor
de taille raisonnée, de beredeneerde snoei. Deze manier van snoeien is
erop gericht een boom niet vrij te laten groeien om die daarna te snoeien, maar
om de takken van een boom van jongs af aan met een voorbestemde functie op te
kweken. De leiboom vroeg en vraagt van de tuinlieden een intelligente snoei, waardoor
sommige tuinbazen zich ontwikkelden tot directeuren met de status van wetenschapper.
Ze publiceerden hun bevindingen en hun kennis werd uitgewisseld op internationale
congressen. Aan het begin van de twintigste eeuw werd het kweken van fruit in
de tuin een bijzaak, het leifruit werd zelfs zeldzaamheid. Nieuwe machinegerichte
fruitteelttechnieken en andere fruitrassen namen rond 1950 de plaats in van de
oude snoeitechniek en leifruit bleef als een museale curiositeit alleen over op
enkele historische plaatsen.
Freriks heeft in samenwerking met Kuitert door een
uitgebreid cultuurtechnisch deel over snoeien en kweken aan bod te laten komen
in 'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' het werk ook tot handboek gemaakt.
In 'De teelt van leifruitbomen' (1997) beschrijft hij uitvoerig de kunst van het
snoeien van oude fruitrassen die geschikt zijn voor de teelt als leivorm. Sinds
twaalf jaar geeft hij ook les in het opkweken en snoeien van leifruit op buitenplaatsen
en kastelen. Freriks: "Vanaf mijn jeugd tot die tijd was ik steeds wel bezig
met fruit en bleef ik ook wel praten met tuinbazen, maar ik had weinig meer gedaan
met de kennis en de voorliefde die ik in mijn jeugd tijdens mijn bezoeken aan
het klooster opdeed. De cursussen die ik nu geef over leifruit duren zo'n drie
tot vier jaar. Een kleine groep mensen komt daarvoor zo'n vier keer per jaar een
dag bij elkaar. We beginnen met het opkweken van een eenjarige boom. Je kunt in
Nederland ook wel leifruitbomen kopen bij de hovenier, maar die zijn vaak veel
te snel opgekweekt, zo'n boom wordt topzwaar. Bovendien nemen ze daar gewone fruitteeltrassen
voor, terwijl het van belang is om gebruik te maken van de oude rassen. Ik vind
dat ze veel te commercieel bezig zijn; zulke bomen worden nooit goede leifruitbomen.
Je kunt wel prima leifruitbomen importeren uit België en Frankrijk. Die zijn
zo'n driehonderd gulden per stuk, maar daar zit dan ook wel zes jaar kweekwerk
in."
"Tijdens de cursus leer ik de mensen het werkelijke
ambacht; het systematische opkweken door de jaren heen. Het is van belang dat
de energie door de hele boom gelijk verdeeld is. Als dat niet gebeurt ontstaat
er een onevenwichtige boom die ook niet aan de vorm voldoet. De boom houdt zijn
natuurlijke groeiwijze aan, maar we dwingen die wel in een vorm. Een perenboom
kan bijvoorbeeld een extreme vorm verdragen omdat de takken buigzaam zijn. Een
appelboom, met harder hout, kun je alleen maar rondbuigen, bijvoorbeeld in de
vorm van een hooihark. De tijd ertussen bepaalt alles. Het is dus ook niet met
snelheid of met bamboestokken af te dwingen zoals veel Nederlands boomkwekers
wel proberen. Het is toch ook betekenisvol dat de bomen uit de commerciële
teelt na zo'n twintig jaar gerooid moeten worden, terwijl de oudere, sterke rassen
vaak wel meer dan honderd jaar oud kunnen worden."
Freriks, die steeds op bevlogen toon over fruitteelt
spreekt, heeft de laatste jaren ook vier leraren opgeleid om de kennis over leifruitteelt
zeker te stellen. Ze geven les in deze hovenierskunst aan kleine groepen of aan
particulieren. Freriks: "Het is geen massawerk, het is een cultuurhistorisch
goed, een hovenierskunst waar je tijd en aandacht aan moet besteden. Mensen die
geïnteresseerd zijn in leifruitbomen raad ik aan geïmporteerde voorgevormde
bomen van vier of vijf jaar oud te kopen. Om werkelijk kennis te verwerven is
het echter wel noodzakelijk om een cursus te volgen, dan kun je ook zelf starten
met eenjarige bomen."
"Het kan ook heel aardig zijn om eerst eens
op verschillende plaatsten te kijken naar leifruitvormen. Dat kan bijvoorbeeld
op afspraak bij Landgoed Dordwijk in Dordrecht of bij Kasteel Het Manpad in Heemstede.
Die laatste tuin vind ik overigens ook de mooiste tuin die ik ken. Er staan allemaal
uitgegroeide leibomen van zo'n zestig tot zeventig jaar oud. Bomen op leeftijd
dus. Meestal zie je bij die oude bomen dat ze versleten zijn geraakt of onevenwichtig
gegroeid zijn. Dat is bij deze bomen niet het geval; de vorm is goed en evenwichtig
gebleven."
Cécile van der Heijden
'Hovenierskunst in palmet en pauwstaart' is in 1994 uitgebracht door Uitgeverij
De Hef uit Rotterdam.
|