 |
Via de tuin proberen mensen al eeuwenlang zichzelf
uit te drukken. "In de mens is een intuïtief
verlangen aanwezig om zich met de natuur bezig te houden,
om de natuur te ordenen. In de tuin kunnen mensen hun
idealen en verlangens vertalen; ze proberen daarin misschien
onbewust een aards paradijs te creëren."
Dr. Erik de Jong (1954) (tuin)architectuurhistoricus,
verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam meent
dat we eraan gewend zijn veel dingen op te splitsen
in natuur en cultuur, terwijl die twee juist ook samen
kunnen komen en samen kunnen vloeien. "Dat is precies
wat er in de tuin gebeurt, en wat de tuin ook zo spannend
maakt."
De Jong doceert tuinarchitectuurgeschiedenis en analyseert
historische en actuele ontwerpen met als doel kennis
van de cultuur van de tuin- en landschapsarchitectuur
te verkrijgen en om inzichten te genereren voor toekomstige
ontwerp- en beheerproblemen. Niet om het verleden te
imiteren, maar om te proberen mogelijkheden en oplossingen
te vinden die op een actuele manier passen bij bepaalde
tradities. "Ik meen dat je de historische componenten
van het vak niet los kunt zien van wat er nu gebeurt.
Ze liggen in elkaars verlengde. Heel lang bleek men
niet in staat te zijn de tuin te beoordelen als een
fenomeen dat nauw met onze cultuur in het algemeen verbonden
is en werd tuinarchitectuur ook niet als kunstvorm erkend:
dat is de reden dat tal van belangrijke tuin- en landschapsontwerpen
verwaarloosd worden. Ik heb wel eens de indruk dat de
potentie van het vak nog lang niet altijd gerealiseerd
wordt. Sommige ontwerpers realiseren zich het belang
van de ontwerpcultuur en -historie niet, ze vinden dat
verleden alleen maar ballast. Veel tuin- en landschapsarchitecten
werken ook nog steeds vanuit de traditionele historische
opvattingen. Iets is gemaakt in de Franse geometrische
stijl of in de Engelse slingerende en natuurlijke stijl.
Die tweedeling is beperkt en achterhaald en behoeft
nuancering."
In samenwerking met anderen heeft De Jong in de boeken
Aardse Paradijzen I en II een overzicht gegeven van
de tuin zoals die in de Nederlandse kunst vanaf de vijftiende
eeuw tot heden door kunstenaars afgebeeld of door dichters
beschreven is. De Jong beschrijft de tuin in 'Aardse
Paradijzen' als iets heel wezenlijks in ons geheugen
en verlangen. "Volgens de geschiedenis van de christelijke
traditie begint en eindigt ons leven in het paradijs
en hangt ons leven eigenlijk tussen twee tuinen in.
Kijk naar de plaatjes van tuinen in tijdschriften, zulke
tuinen kun je zelf nooit maken. Toch heeft zo'n foto
een functie; de beelden appelleren aan het verlangen
naar de volmaakte tuin die je zelf nooit zult hebben,
aan een gevoel van mensen voor harmonie, kleur en verhouding.
In de poëzie is de tuin vaak ook niet het literaire
thema zelf, maar eerder de aanjager, de bron van waaruit
mensen zijn gaan schrijven over bijvoorbeeld de avondval,
de liefde of de vogels. Door middel van de tuin wordt
er gestalte gegeven aan essentiële ervaringen,
observaties en verlangens. Dat is ook een wezenlijke
betekenis van de tuin."
De tuin is volgens De Jong een miniatuurlandschap,
omdat de tuin reageert op de grote elementen uit het
landschap en deze verwerkt. "De mens zet dat in
scène door middel van zijn eigen hand en de kunst.
Een tuinarchitect heeft het omringende landschap altijd
eerst goed geobserveerd en de lessen van het landschap
verwerkt, zodat water in een tuin iets reflecteert van
water uit het landschap. De tuin imiteert, transformeert
en metamorfoseert de context of het landschap. Er is
geen enkele kunstvorm die zozeer gebruik maakt van zowel
natuurlijke als cultuurlijke middelen als de tuin- en
landschapsarchitectuur. Dat levert natuurlijk spanningsvelden
op. In Goethe's 'Die Wahlverwandtschaften' zie je dat
proces heel duidelijk omschreven. De hoofdpersonen uit
dat boek zijn bezig met het maken van een landschapspark.
Ze proberen de schoonheden en principes van de natuur
zowel voor wat betreft schoonheid als ruimte en vormgeving
te doorgronden en die in verhevigde vorm in het parkontwerp
om te zetten. Volgens Goethe speelt dit artistieke proces
zich niet alleen af tussen de mensen die er mee bezig
zijn maar ook als chemisch proces tussen mensen en natuur
die door processen van wederzijdse afstoting en aantrekkingskracht
tot een symbiose komen en iets voortbrengen wat noch
van de mensen, noch van de natuur is; het park als derde
element en metamorfose."
| |
 |
De tuinarchitectuurhistoricus meent dat er geen enkele
kunst-natuurvorm bestaat die zo zeer integrerend van
aard is als de tuin- en landschapsarchitectuur. "De
natuur heeft er net zo zeer een plaats in als de cultuur
van de mens evenals alles wat met natuur en cultuur
verbonden is, zowel op horizontaal als verticaal niveau;
flora en fauna, bomen, water, architectuur, beeldhouwkunst
en schilderkunst, maar ook de elementen en de kosmos.
Dat die tuin- en landschapsarchitectuur zo veel omvat,
maakt het juist zo complex maar vooral bijzonder. Als
je de tuin- en landschapsarchitectuur eenmaal ontdekt
hebt, ga je ook heel anders kijken naar de dingen; naar
je omgeving, naar de stad en de natuur en de samenhang
daartussen. De mensen die ik door mijn belangstelling
heb ontmoet op dit gebied, zowel historici als botanici,
filosofen, kunstenaars, literatoren, tuinliefhebbers
als ontwerpers zelf, hebben me geholpen mijn eigen inzicht
en sensibiliteit aan te scherpen. Het is me steeds duidelijker
geworden dat het een onderwerp van belang is. Waarschijnlijk
is het een kwaliteit van het vakgebied dat het interdisciplinair
is en is het van belang dat het niet in vaststaande
kaders ingeperkt raakt zodat het een fluïdum behoudt
en het zich kan bewegen tussen alles door, waardoor
samenhangen zichtbaar worden."
Werd er na de de Tweede Wereldoorlog over de stad gedacht
als een optelsom van bouwwerken, en werden parken slechts
als functionele ruimten voor sport en beweging gezien,
nu is er een kentering waar te nemen. "Er wordt
bijvoorbeeld gesproken over stadslandschappen, al is
het interessant dat er nog steeds niet gesproken wordt
over landschapssteden. Aan de rol van de open ruimten
wordt dus wel steeds meer gewicht toegekend, al zijn
parken en tuinen nog steeds ruimten die zich gemakkelijk
laten koloniseren doordat ze nog steeds niet worden
gezien als zelfstandig ruimtelijke ontwerpen."
Volgens De Jong is de meeste mensen ook nooit geleerd
om over groen te denken in culturele, historische of
kunstzinnige termen. "Mensen associëren een park
vooral met een natuurgegeven. Daarnaast worden buitenruimten,
zoals een park of een tuin, door veel mensen als vanzelfsprekend
beschouwd. Pas op het moment dat je ze weg zou laten,
zouden mensen daar enorm van schrikken. Heel lang hebben
tuin- en landschapsarchitecten ook buiten de stedenbouw
en architectuur gestaan. In de tweede helft van de twintigste
eeuw bepaalden de stedenbouwkundigen de kaders, de tuin-
en landschapsarchitecten stelden zich daardoor weifelend
en ook vertwijfeld op. In de hele twintigste eeuw is
er een langzaam emancipatieproces te zien van de hovenier
naar de tuin- en landschapsarchitect om een gelijkwaardige
positie te bereiken als de architect en stedenbouwkundige.
Tuin- en landschaps architectuur als ontwerpvorm en
als ontwerpcultuur worden geleidelijk aan serieus genomen."
Werd in de negentiende eeuw het tuinieren als beschavingsideaal
uitgedragen, in de twintigste eeuw is er eerder sprake
van een democratisch natuurideaal; wonen en 'werken'
in een groene omgeving betekent vrijheid, individuele
expressie en status. Vanuit het negentiende-eeuwse beschavingsideaal
verschijnen de eerste volkstuinen, schooltuinen en kindertuinen.
De natuur en het ordenen van die natuur door middel
van tuinieren zou de mens moeten verheffen en gelukkiger
maken."Deze traditie, de gedachte van heilzaamheid
en het creëren van een betere leefomgeving, wordt
ook nu weer in de grote Amerikaanse steden toegepast
door middel van 'urban gardening'; de tuin als middel
voor jongeren en ouderen om zichzelf te bewijzen en
om een nieuw bestaan te verkrijgen. Namen als 'nuevo
esperanza', nieuwe hoop, zeggen al genoeg: tuinieren
maakt bewust."
De bedreiging van natuur en milieu, de economische
conjunctuur en de verstedelijking vormen volgens de
historicus de belangrijkste oorzaken voor de toenemende
aandacht van de mens voor tuin en landschap en passen
in onze lange traditie als hoveniers en ontwerpers.""De
tuincultuur is wel heel omvangrijk op dit moment; het
denken over tuinen, de boeken en tentoonstellingen daarover,
het bezoeken van tuinen, de tuinenfairs, het maken van
tuinen. In veel tijdschriften zie je de plaatjes van
het afgebladderde stoeltje met het teiltje erop met
een plantje erin. Daar kun je lacherig over doen omdat
je dat zo vaak ziet, maar tegelijkertijd wijst het wel
op iets. Het kan alleen maar decoratief zijn, maar het
kan ook zijn dat er een heel intuïtief verlangen
mee uitgedrukt wordt; het verlangen van mensen om zich
met de natuur bezig te houden in een pre-ontwerpstadium.
Een ordening van de buitenruimten zoals dat ook in het
huis gebeurt. De plant wordt vanuit een andere omgeving
overgebracht naar de eigen tuin, ik zie dat als de vertaling,
een letterlijke 'trans-latio', van een verlangen. Ook
op het hogere schaalniveau van het landschap en de stad
zien we een steeds dringender discussie over vormgeving,
inrichting en gebruik van de groene ruimte."
Volgens De Jong is een constante in de geschiedenis
van de tuinkunst dat de mens in die tuin samenwerkt
met de natuur, in plaats van die alleen maar te willen
overheersen. "Een tuin is begeleide natuur. Soms
valt dat uit in het voordeel van de natuur, soms in
het voordeel van de kunst, daarbinnen zijn alle wisselende
resultaten mogelijkheden. De tuin is ook verbonden met
een persoonlijke beleving of positie in de privé-
of openbare wereld. Aan de tuin wordt geluk en status
ontleend. Omdat mensen zelf tuinieren zijn ze ook zelf
de vormgever, de kunstenaar. Mensen leggen daar ontzettend
veel van zichzelf in en willen dat ook graag aan anderen
laten zien en bij anderen zien, zoals al die mensen
die bij anderen tuinen gaan bekijken op open-tuinendagen."
"De mooiste tuin die ik ken? Het gelukkigst ben
ik in mijn tuin in Drenthe, maar dat is meer een boslandschap
met een wei, een kleine bloementuin, een boomgaard en
een prachtig uitzicht. Verder zijn er nog twee tuinen
die ik heel erg mooi vind om verschillende redenen.
De ene tuin is de tuin van Dumbarton Oaks, de tuin van
het onderzoeksinstituut voor tuin- en landschapsarchitectuur
van het Harvard Instituut in Washington D.C. waar ik
heel prettig gewerkt heb. Het is een terrassentuin waar
ik heel veel aan denk en die ik vooral qua architectuur
erg mooi vind. De andere tuin is de eigen tuin van Piet
Oudolf, vaste plantenkweker en tuinarchitect. Die tuin
was voor mij een openbaring vanwege het evenwicht in
ruimte en compositie en de schoonheid van de beplanting.
De beplanting heeft de vorm aangenomen van een levend
kunstwerk in zijn vorm, zijn textuur, zijn hoogtes,
zijn dieptes en kleuren. Ik heb die tuin ook heel bewust
op verschillende momenten van de dag bekeken. Er zijn
eigenlijk nog meer tuinen die een grote indruk op mij
hebben gemaakt, maar wat je op een bepaald moment mooi
of boeiend vindt, heeft ook te maken met de seizoenen
van het eigen bestaan."
Cécile van der Heijden
|