Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 2 • NUMMER 2

21 sept 2000

 
     
  Vertaling van een verlangen, Cécile van der Heijden in gesprek met Erik de Jong, kunsthistoricus  
     
   
   
 

Via de tuin proberen mensen al eeuwenlang zichzelf uit te drukken. "In de mens is een intuïtief verlangen aanwezig om zich met de natuur bezig te houden, om de natuur te ordenen. In de tuin kunnen mensen hun idealen en verlangens vertalen; ze proberen daarin misschien onbewust een aards paradijs te creëren."

Dr. Erik de Jong (1954) (tuin)architectuurhistoricus, verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam meent dat we eraan gewend zijn veel dingen op te splitsen in natuur en cultuur, terwijl die twee juist ook samen kunnen komen en samen kunnen vloeien. "Dat is precies wat er in de tuin gebeurt, en wat de tuin ook zo spannend maakt."

De Jong doceert tuinarchitectuurgeschiedenis en analyseert historische en actuele ontwerpen met als doel kennis van de cultuur van de tuin- en landschapsarchitectuur te verkrijgen en om inzichten te genereren voor toekomstige ontwerp- en beheerproblemen. Niet om het verleden te imiteren, maar om te proberen mogelijkheden en oplossingen te vinden die op een actuele manier passen bij bepaalde tradities. "Ik meen dat je de historische componenten van het vak niet los kunt zien van wat er nu gebeurt. Ze liggen in elkaars verlengde. Heel lang bleek men niet in staat te zijn de tuin te beoordelen als een fenomeen dat nauw met onze cultuur in het algemeen verbonden is en werd tuinarchitectuur ook niet als kunstvorm erkend: dat is de reden dat tal van belangrijke tuin- en landschapsontwerpen verwaarloosd worden. Ik heb wel eens de indruk dat de potentie van het vak nog lang niet altijd gerealiseerd wordt. Sommige ontwerpers realiseren zich het belang van de ontwerpcultuur en -historie niet, ze vinden dat verleden alleen maar ballast. Veel tuin- en landschapsarchitecten werken ook nog steeds vanuit de traditionele historische opvattingen. Iets is gemaakt in de Franse geometrische stijl of in de Engelse slingerende en natuurlijke stijl. Die tweedeling is beperkt en achterhaald en behoeft nuancering."

In samenwerking met anderen heeft De Jong in de boeken Aardse Paradijzen I en II een overzicht gegeven van de tuin zoals die in de Nederlandse kunst vanaf de vijftiende eeuw tot heden door kunstenaars afgebeeld of door dichters beschreven is. De Jong beschrijft de tuin in 'Aardse Paradijzen' als iets heel wezenlijks in ons geheugen en verlangen. "Volgens de geschiedenis van de christelijke traditie begint en eindigt ons leven in het paradijs en hangt ons leven eigenlijk tussen twee tuinen in. Kijk naar de plaatjes van tuinen in tijdschriften, zulke tuinen kun je zelf nooit maken. Toch heeft zo'n foto een functie; de beelden appelleren aan het verlangen naar de volmaakte tuin die je zelf nooit zult hebben, aan een gevoel van mensen voor harmonie, kleur en verhouding. In de poëzie is de tuin vaak ook niet het literaire thema zelf, maar eerder de aanjager, de bron van waaruit mensen zijn gaan schrijven over bijvoorbeeld de avondval, de liefde of de vogels. Door middel van de tuin wordt er gestalte gegeven aan essentiële ervaringen, observaties en verlangens. Dat is ook een wezenlijke betekenis van de tuin."

De tuin is volgens De Jong een miniatuurlandschap, omdat de tuin reageert op de grote elementen uit het landschap en deze verwerkt. "De mens zet dat in scène door middel van zijn eigen hand en de kunst. Een tuinarchitect heeft het omringende landschap altijd eerst goed geobserveerd en de lessen van het landschap verwerkt, zodat water in een tuin iets reflecteert van water uit het landschap. De tuin imiteert, transformeert en metamorfoseert de context of het landschap. Er is geen enkele kunstvorm die zozeer gebruik maakt van zowel natuurlijke als cultuurlijke middelen als de tuin- en landschapsarchitectuur. Dat levert natuurlijk spanningsvelden op. In Goethe's 'Die Wahlverwandtschaften' zie je dat proces heel duidelijk omschreven. De hoofdpersonen uit dat boek zijn bezig met het maken van een landschapspark. Ze proberen de schoonheden en principes van de natuur zowel voor wat betreft schoonheid als ruimte en vormgeving te doorgronden en die in verhevigde vorm in het parkontwerp om te zetten. Volgens Goethe speelt dit artistieke proces zich niet alleen af tussen de mensen die er mee bezig zijn maar ook als chemisch proces tussen mensen en natuur die door processen van wederzijdse afstoting en aantrekkingskracht tot een symbiose komen en iets voortbrengen wat noch van de mensen, noch van de natuur is; het park als derde element en metamorfose."

  

De tuinarchitectuurhistoricus meent dat er geen enkele kunst-natuurvorm bestaat die zo zeer integrerend van aard is als de tuin- en landschapsarchitectuur. "De natuur heeft er net zo zeer een plaats in als de cultuur van de mens evenals alles wat met natuur en cultuur verbonden is, zowel op horizontaal als verticaal niveau; flora en fauna, bomen, water, architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst, maar ook de elementen en de kosmos. Dat die tuin- en landschapsarchitectuur zo veel omvat, maakt het juist zo complex maar vooral bijzonder. Als je de tuin- en landschapsarchitectuur eenmaal ontdekt hebt, ga je ook heel anders kijken naar de dingen; naar je omgeving, naar de stad en de natuur en de samenhang daartussen. De mensen die ik door mijn belangstelling heb ontmoet op dit gebied, zowel historici als botanici, filosofen, kunstenaars, literatoren, tuinliefhebbers als ontwerpers zelf, hebben me geholpen mijn eigen inzicht en sensibiliteit aan te scherpen. Het is me steeds duidelijker geworden dat het een onderwerp van belang is. Waarschijnlijk is het een kwaliteit van het vakgebied dat het interdisciplinair is en is het van belang dat het niet in vaststaande kaders ingeperkt raakt zodat het een fluïdum behoudt en het zich kan bewegen tussen alles door, waardoor samenhangen zichtbaar worden."

Werd er na de de Tweede Wereldoorlog over de stad gedacht als een optelsom van bouwwerken, en werden parken slechts als functionele ruimten voor sport en beweging gezien, nu is er een kentering waar te nemen. "Er wordt bijvoorbeeld gesproken over stadslandschappen, al is het interessant dat er nog steeds niet gesproken wordt over landschapssteden. Aan de rol van de open ruimten wordt dus wel steeds meer gewicht toegekend, al zijn parken en tuinen nog steeds ruimten die zich gemakkelijk laten koloniseren doordat ze nog steeds niet worden gezien als zelfstandig ruimtelijke ontwerpen." Volgens De Jong is de meeste mensen ook nooit geleerd om over groen te denken in culturele, historische of kunstzinnige termen. "Mensen associëren een park vooral met een natuurgegeven. Daarnaast worden buitenruimten, zoals een park of een tuin, door veel mensen als vanzelfsprekend beschouwd. Pas op het moment dat je ze weg zou laten, zouden mensen daar enorm van schrikken. Heel lang hebben tuin- en landschapsarchitecten ook buiten de stedenbouw en architectuur gestaan. In de tweede helft van de twintigste eeuw bepaalden de stedenbouwkundigen de kaders, de tuin- en landschapsarchitecten stelden zich daardoor weifelend en ook vertwijfeld op. In de hele twintigste eeuw is er een langzaam emancipatieproces te zien van de hovenier naar de tuin- en landschapsarchitect om een gelijkwaardige positie te bereiken als de architect en stedenbouwkundige. Tuin- en landschaps architectuur als ontwerpvorm en als ontwerpcultuur worden geleidelijk aan serieus genomen."

Werd in de negentiende eeuw het tuinieren als beschavingsideaal uitgedragen, in de twintigste eeuw is er eerder sprake van een democratisch natuurideaal; wonen en 'werken' in een groene omgeving betekent vrijheid, individuele expressie en status. Vanuit het negentiende-eeuwse beschavingsideaal verschijnen de eerste volkstuinen, schooltuinen en kindertuinen. De natuur en het ordenen van die natuur door middel van tuinieren zou de mens moeten verheffen en gelukkiger maken."Deze traditie, de gedachte van heilzaamheid en het creëren van een betere leefomgeving, wordt ook nu weer in de grote Amerikaanse steden toegepast door middel van 'urban gardening'; de tuin als middel voor jongeren en ouderen om zichzelf te bewijzen en om een nieuw bestaan te verkrijgen. Namen als 'nuevo esperanza', nieuwe hoop, zeggen al genoeg: tuinieren maakt bewust."

De bedreiging van natuur en milieu, de economische conjunctuur en de verstedelijking vormen volgens de historicus de belangrijkste oorzaken voor de toenemende aandacht van de mens voor tuin en landschap en passen in onze lange traditie als hoveniers en ontwerpers.""De tuincultuur is wel heel omvangrijk op dit moment; het denken over tuinen, de boeken en tentoonstellingen daarover, het bezoeken van tuinen, de tuinenfairs, het maken van tuinen. In veel tijdschriften zie je de plaatjes van het afgebladderde stoeltje met het teiltje erop met een plantje erin. Daar kun je lacherig over doen omdat je dat zo vaak ziet, maar tegelijkertijd wijst het wel op iets. Het kan alleen maar decoratief zijn, maar het kan ook zijn dat er een heel intuïtief verlangen mee uitgedrukt wordt; het verlangen van mensen om zich met de natuur bezig te houden in een pre-ontwerpstadium. Een ordening van de buitenruimten zoals dat ook in het huis gebeurt. De plant wordt vanuit een andere omgeving overgebracht naar de eigen tuin, ik zie dat als de vertaling, een letterlijke 'trans-latio', van een verlangen. Ook op het hogere schaalniveau van het landschap en de stad zien we een steeds dringender discussie over vormgeving, inrichting en gebruik van de groene ruimte."

Volgens De Jong is een constante in de geschiedenis van de tuinkunst dat de mens in die tuin samenwerkt met de natuur, in plaats van die alleen maar te willen overheersen. "Een tuin is begeleide natuur. Soms valt dat uit in het voordeel van de natuur, soms in het voordeel van de kunst, daarbinnen zijn alle wisselende resultaten mogelijkheden. De tuin is ook verbonden met een persoonlijke beleving of positie in de privé- of openbare wereld. Aan de tuin wordt geluk en status ontleend. Omdat mensen zelf tuinieren zijn ze ook zelf de vormgever, de kunstenaar. Mensen leggen daar ontzettend veel van zichzelf in en willen dat ook graag aan anderen laten zien en bij anderen zien, zoals al die mensen die bij anderen tuinen gaan bekijken op open-tuinendagen."

"De mooiste tuin die ik ken? Het gelukkigst ben ik in mijn tuin in Drenthe, maar dat is meer een boslandschap met een wei, een kleine bloementuin, een boomgaard en een prachtig uitzicht. Verder zijn er nog twee tuinen die ik heel erg mooi vind om verschillende redenen. De ene tuin is de tuin van Dumbarton Oaks, de tuin van het onderzoeksinstituut voor tuin- en landschapsarchitectuur van het Harvard Instituut in Washington D.C. waar ik heel prettig gewerkt heb. Het is een terrassentuin waar ik heel veel aan denk en die ik vooral qua architectuur erg mooi vind. De andere tuin is de eigen tuin van Piet Oudolf, vaste plantenkweker en tuinarchitect. Die tuin was voor mij een openbaring vanwege het evenwicht in ruimte en compositie en de schoonheid van de beplanting. De beplanting heeft de vorm aangenomen van een levend kunstwerk in zijn vorm, zijn textuur, zijn hoogtes, zijn dieptes en kleuren. Ik heb die tuin ook heel bewust op verschillende momenten van de dag bekeken. Er zijn eigenlijk nog meer tuinen die een grote indruk op mij hebben gemaakt, maar wat je op een bepaald moment mooi of boeiend vindt, heeft ook te maken met de seizoenen van het eigen bestaan."

Cécile van der Heijden

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts