|
ir. Eric Luiten is landschapsarchitect en heeft tot
voor kort in Barcelona gewoond en gewerkt. Hij organiseerde
daar excursies, maar er kwam ook een stroom verzoeken
voor adviezen op gang uit Nederland; de Nederlanders
zijn nieuwsgierig naar het proces van de snelle en hoogwaardige
ontwikkeling waarmee Barcelona zichzelf opnieuw tot
leven heeft gewekt. Luiten; "Het feit dat ik daar
woonde en langzaam dat proces kon doorgronden was voor
Nederlanders die met dezelfde problemen zitten heel
interessant. Ik heb vanuit Barcelona wel steeds mijn
contact met Nederlandse vakgenoten in stand gehouden.
Ik ben in de Nederlandse vakboeken en vaktijdschriften
blijven schrijven en heb les gegeven in Wageningen."
Sinds februari werkt Luiten als hoofd van de afdeling
landschapsarchitectuur aan de Academie van Bouwkunst
in Amsterdam, een part-time post HBO-opleiding. Hij
draagt zorg voor de inhoud van het onderwijsprogramma
en zoekt de juiste docenten bij de verschillende vakken.
Referentiekader
Volgens Luiten wordt er een verkeerd referentiekader
gebruikt door de mensen die zich met de landschappelijke
kwaliteit van het landelijk gebied bezig houden. Luiten:
"In Nederland werken we nog steeds vanuit de indeling
in landschapstypen die tussen de Middeleeuwen en het
eind van de negentiende eeuw zijn ontstaan (het rivierengebied,
het veenkoloniale landschap etc.). Hij gelooft dat het
een doodlopende weg is om je beleid en de ingrepen te
baseren op die grote landschapstypen, omdat de factoren
die ertoe hebben geleid dat die differentiatie onstond
niet meer aan de orde zijn. "De oude typeringen zijn
onstaan vanuit een noodzaak, voorwaarden en beperkingen
die door de loop van de tijd zijn overwonnen. Niemand
doet immers meer op grote schaal hetzelfde. De typering
geldt dus eigenlijk niet meer, er spelen nu heel andere
krachten en factoren die in de komende eeuw ook steeds
dominanter zullen worden."
Luiten meent dat er daarom andere referentiekaders voor
landschappelijke differentiatie zullen moeten worden
ontwikkeld. Hij voorspelt dat er de komende decennia
twee richtingen in ontstaan. Luiten: "Ten eerste zijn
er de grootschalige ontwikkelingen in het landschap
die sturend zullen gaan worden voor de manier waarop
het landschap ingericht wordt. Hij denkt dan onder meer
aan de infrastructuur en de industrialiserende landbouw
in het landelijk gebied. Ten tweede zullen er veel meer
kleine initiatieven, op lokale schaal, dominant worden
en bepalen hoe mensen het landschap waarnemen. Het tussenniveau
met de landschapstypen als streefbeeld is failiet en
zal niet meer werken.
"Deze twee dominante krachten die in de toekomst de
basis vormen voor het handelen in het buitengebied,
betekenen een opdracht voor de landschapsarchitecten.
Enerzijds zullen we om de kwaliteit te verhogen als
ontwerpers meer greep moeten krijgen op de grootschalige
processen. Anderzijds zullen we op lokale schaal moeten
kijken of er kwaliteitsverbeteringen kunnen plaats vinden,
of we aansluiting kunnen vinden op de kleinere initiatieven."
"Ik vind het prachtig als landschapsarchitecten met
heel eenvoudige middelen iets kunnen duiden dat geldig
is voor een groot gebied. Dat vind ik een opgave voor
de Nederlandse landschapsarchitecten in de komende decennia.
We moeten op zoek naar de kleinschalige sublimaties
van een groot proces dat er aan de gang is."
Bescheidenheid
Luiten: "We moeten niet meer heel de wereld naar onze
hand willen zetten. Veel landschapsarchitecten hebben
de ambitie om alles in een soort superlandschappelijke
greep te krijgen. Het lijkt soms wel een beetje God
op aarde spelen; in de trant van als wij het voor het
zeggen hadden dan zag het er allemaal fantastisch uit.
Je moet toch ook je plek weten in iets waar veel meer
mensen en veel meer krachten effect op hebben.We moeten
op zoek naar een nieuwe bescheidenheid."
Luiten meent aan de andere kant dat het een kwaliteit
is van de Nederlandse landschapsarchitecten dat ze zich
nogal gretig gedragen. "Ze bemoeien zich steeds meer
met ruimtelijke processen. Alles wat er zich buiten
afspeelt heeft immers een landschapsarchitectonische
dimensie. Ze reageren daar heel zelfbewust op door hun
hand niet meer om te draaien voor een stedelijk of landelijk
probleem. Maar bij het zoeken van de landschapsarchitectonische
dimensie in allerlei ruimtelijke processen hoort ook
bescheidenheid. We moeten ons opstellen als degene die
er een zinvolle bijdrage aan kan leveren, en niet als
degene die het allemaal wel eventjes weet. In die zin
is het een gretigheid in bescheidenheid."
Luiten vindt dat het je toe-eigenen van allerlei ruimtelijke
problemen een voortdurende bezinning vraagt op wat je
daar als discipline aan toe te voegen hebt. Luiten:
"Ik meen dat we ons als beroepsgroep moeten buigen over
vragen als wat de essentie van het vak is, waar we wel
en niet op aangesproken willen worden en wat ons bindt
als landschapsarchitecten. Er is momenteel te weinig
gelegenheid om onderzoek te doen naar de landschapsarchitectuur
in Nederland. Een onderzoek naar de wortels van het
vak zou kunnen helpen bij het eensgezind kunnen worden
over wat ons bindt als landschapsarchitecten. Er is
zo veel werk, dat gaat een beetje ten koste van de bezinning
op de kern van de discipline."
Een belangrijk thema dat Luiten binnen het onderwijs
nog te veel vindt ontbreken, is het werken aan het historisch
bewustzijn. "De vakbekwaamheid van onze voorouders is
te weinig bekend en wordt daardoor te weinig gewaardeerd.
Bovendien komt de geschiedenis van het landschap er
bekaaid vanaf als Nederlandse landschapsarchitecten
plannen maken. De Nederlandse landschapsarchitecuur
is erg gericht op vernieuwing en verandering en aanpassing.
Maar zo'n vernieuwing staat altijd in relatie tot iets
wat er al is en moet daarmee in balans zijn. Ik meen
dat het even belangrijk is om je te laten inspireren
door dingen die in het verleden gebeurd zijn als je
te laten inspireren door de vraag om iets nieuws te
maken."
"Het mooiste gebied van Nederland vind ik de Johannes
Kerkhovenpolder in Oost-Groningen. Een prachtig open
gebied, dat door de zeedijk is gescheiden van de Dollard
met een heel klein gehuchtje in het midden van de polder.
Voor de rest is het een grote, glanzende, vruchtbare
kleimassa die ieder jaar weer bieten, graan of koolzaad
produceert. Het is zo'n eenvoudig en zichzelf verklarend
stuk land. Ik kan het niet laten om daar toch wel één
keer per jaar heen te gaan en doorheen te rijden, daar
word je helemaal schoon van als je daar naar kijkt."
Cécile van der Heijden |