Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 1 • NUMMER 1

17 juni 1999

 
     
  Gretigheid in bescheidenheid, een gesprek met ir. Eric Luiten, landschapsarchitect  
     
   
   
 

Kleine elementen met grote waarden

   
 

Landschapsarchitecten die werkzaam zijn in het landelijk gebied zouden van een ander referentiekader uit moeten gaan dan de landschapstypologie die tot nog toe gebruikt wordt. Volgens landschapschapsarchitect Eric Luiten is het tijd voor een andere typering die tevens een andere visie op het werk behelst.

   
 
  

ir. Eric Luiten is landschapsarchitect en heeft tot voor kort in Barcelona gewoond en gewerkt. Hij organiseerde daar excursies, maar er kwam ook een stroom verzoeken voor adviezen op gang uit Nederland; de Nederlanders zijn nieuwsgierig naar het proces van de snelle en hoogwaardige ontwikkeling waarmee Barcelona zichzelf opnieuw tot leven heeft gewekt. Luiten; "Het feit dat ik daar woonde en langzaam dat proces kon doorgronden was voor Nederlanders die met dezelfde problemen zitten heel interessant. Ik heb vanuit Barcelona wel steeds mijn contact met Nederlandse vakgenoten in stand gehouden. Ik ben in de Nederlandse vakboeken en vaktijdschriften blijven schrijven en heb les gegeven in Wageningen."
Sinds februari werkt Luiten als hoofd van de afdeling landschapsarchitectuur aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, een part-time post HBO-opleiding. Hij draagt zorg voor de inhoud van het onderwijsprogramma en zoekt de juiste docenten bij de verschillende vakken.

Referentiekader
Volgens Luiten wordt er een verkeerd referentiekader gebruikt door de mensen die zich met de landschappelijke kwaliteit van het landelijk gebied bezig houden. Luiten: "In Nederland werken we nog steeds vanuit de indeling in landschapstypen die tussen de Middeleeuwen en het eind van de negentiende eeuw zijn ontstaan (het rivierengebied, het veenkoloniale landschap etc.). Hij gelooft dat het een doodlopende weg is om je beleid en de ingrepen te baseren op die grote landschapstypen, omdat de factoren die ertoe hebben geleid dat die differentiatie onstond niet meer aan de orde zijn. "De oude typeringen zijn onstaan vanuit een noodzaak, voorwaarden en beperkingen die door de loop van de tijd zijn overwonnen. Niemand doet immers meer op grote schaal hetzelfde. De typering geldt dus eigenlijk niet meer, er spelen nu heel andere krachten en factoren die in de komende eeuw ook steeds dominanter zullen worden."
Luiten meent dat er daarom andere referentiekaders voor landschappelijke differentiatie zullen moeten worden ontwikkeld. Hij voorspelt dat er de komende decennia twee richtingen in ontstaan. Luiten: "Ten eerste zijn er de grootschalige ontwikkelingen in het landschap die sturend zullen gaan worden voor de manier waarop het landschap ingericht wordt. Hij denkt dan onder meer aan de infrastructuur en de industrialiserende landbouw in het landelijk gebied. Ten tweede zullen er veel meer kleine initiatieven, op lokale schaal, dominant worden en bepalen hoe mensen het landschap waarnemen. Het tussenniveau met de landschapstypen als streefbeeld is failiet en zal niet meer werken.

"Deze twee dominante krachten die in de toekomst de basis vormen voor het handelen in het buitengebied, betekenen een opdracht voor de landschapsarchitecten. Enerzijds zullen we om de kwaliteit te verhogen als ontwerpers meer greep moeten krijgen op de grootschalige processen. Anderzijds zullen we op lokale schaal moeten kijken of er kwaliteitsverbeteringen kunnen plaats vinden, of we aansluiting kunnen vinden op de kleinere initiatieven."
"Ik vind het prachtig als landschapsarchitecten met heel eenvoudige middelen iets kunnen duiden dat geldig is voor een groot gebied. Dat vind ik een opgave voor de Nederlandse landschapsarchitecten in de komende decennia. We moeten op zoek naar de kleinschalige sublimaties van een groot proces dat er aan de gang is."

Bescheidenheid
Luiten: "We moeten niet meer heel de wereld naar onze hand willen zetten. Veel landschapsarchitecten hebben de ambitie om alles in een soort superlandschappelijke greep te krijgen. Het lijkt soms wel een beetje God op aarde spelen; in de trant van als wij het voor het zeggen hadden dan zag het er allemaal fantastisch uit. Je moet toch ook je plek weten in iets waar veel meer mensen en veel meer krachten effect op hebben.We moeten op zoek naar een nieuwe bescheidenheid."
Luiten meent aan de andere kant dat het een kwaliteit is van de Nederlandse landschapsarchitecten dat ze zich nogal gretig gedragen. "Ze bemoeien zich steeds meer met ruimtelijke processen. Alles wat er zich buiten afspeelt heeft immers een landschapsarchitectonische dimensie. Ze reageren daar heel zelfbewust op door hun hand niet meer om te draaien voor een stedelijk of landelijk probleem. Maar bij het zoeken van de landschapsarchitectonische dimensie in allerlei ruimtelijke processen hoort ook bescheidenheid. We moeten ons opstellen als degene die er een zinvolle bijdrage aan kan leveren, en niet als degene die het allemaal wel eventjes weet. In die zin is het een gretigheid in bescheidenheid."
Luiten vindt dat het je toe-eigenen van allerlei ruimtelijke problemen een voortdurende bezinning vraagt op wat je daar als discipline aan toe te voegen hebt. Luiten: "Ik meen dat we ons als beroepsgroep moeten buigen over vragen als wat de essentie van het vak is, waar we wel en niet op aangesproken willen worden en wat ons bindt als landschapsarchitecten. Er is momenteel te weinig gelegenheid om onderzoek te doen naar de landschapsarchitectuur in Nederland. Een onderzoek naar de wortels van het vak zou kunnen helpen bij het eensgezind kunnen worden over wat ons bindt als landschapsarchitecten. Er is zo veel werk, dat gaat een beetje ten koste van de bezinning op de kern van de discipline."
Een belangrijk thema dat Luiten binnen het onderwijs nog te veel vindt ontbreken, is het werken aan het historisch bewustzijn. "De vakbekwaamheid van onze voorouders is te weinig bekend en wordt daardoor te weinig gewaardeerd. Bovendien komt de geschiedenis van het landschap er bekaaid vanaf als Nederlandse landschapsarchitecten plannen maken. De Nederlandse landschapsarchitecuur is erg gericht op vernieuwing en verandering en aanpassing. Maar zo'n vernieuwing staat altijd in relatie tot iets wat er al is en moet daarmee in balans zijn. Ik meen dat het even belangrijk is om je te laten inspireren door dingen die in het verleden gebeurd zijn als je te laten inspireren door de vraag om iets nieuws te maken."

"Het mooiste gebied van Nederland vind ik de Johannes Kerkhovenpolder in Oost-Groningen. Een prachtig open gebied, dat door de zeedijk is gescheiden van de Dollard met een heel klein gehuchtje in het midden van de polder. Voor de rest is het een grote, glanzende, vruchtbare kleimassa die ieder jaar weer bieten, graan of koolzaad produceert. Het is zo'n eenvoudig en zichzelf verklarend stuk land. Ik kan het niet laten om daar toch wel één keer per jaar heen te gaan en doorheen te rijden, daar word je helemaal schoon van als je daar naar kijkt."

Cécile van der Heijden

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts