| |
| |
 |
In de startnota Ruimtelijke Ordening van minister Pronk,
die dit voorjaar is uitgekomen zijn deze ontwikkelingen
voor de stad en het platteland uitgewerkt. "Opvallend
aan deze beleidsnota's is dat de keuzes die er gemaakt
worden gerelateerd worden aan de traditionele beelden
van de tweedeling tussen stad en platteland die nog
volop bestaat." Dat meent prof. ir. Klaas Kerkstra,
hoogleraar aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen
en spreker op de landschapsdag.
Kerkstra: "We zullen afscheid moeten nemen van
het verleden als maatstaf voor wat wij goed vinden.
De stad is niet meer begrensd, maar heeft zicht ontwikkeld
tot een soort spinnenweb. Ook in de landbouw is het
tijd voor reconstructie. Tot nu toe worden die ontwikkelingen
voornamelijk als negatief gezien. Er wordt bijvoorbeeld
gevreesd voor wantoestanden, zoals lintbebouwing langs
de snelweg. Het zou beter zijn om het als een vormgevingsvraagstuk
te zien. We moeten na gaan denken hoe de maatschappelijke
veranderingen op een positieve wijze ingepast kunnen
worden in het landelijk gebied."
"Het is natuurlijk jammer dat er dingen aan het
verdwijnen zijn. Maar landschappen zijn natuurlijk ook
een cultuurproduct; ze zijn uitdrukking van een bepaalde
manier van leven en werken van mensen. Als die gaan
veranderen, dan moet ook de ruimtelijke inrichting veranderen.
Die inrichting zal een expressie moeten zijn voor de
manier waarop we vandaag leven".
"Men is bij landschap vaak geneigd om dat meer
als een natuurproduct dan als een cultuurproduct te
zien. Nederland heeft op dit moment heel mooie plekken,
maar ook veel plekken die middelmatigheid uitstralen.
Voor wat betreft het esthetische argument, daarover
wordt voornamelijk in historiserende zin gesproken.
Er worden oude dingen mooi gevonden, maar de ogen zouden
ook geopend moeten worden voor de schoonheid van een
modern landbouwbedrijf."
Kunstwerk
Het landschap is een paradoxaal begrip, aan de ene kant
is er de natuur en aan de andere kant het menselijk
handelen en het menselijk ingrijpen in de natuur. Kerkstra
meent dat er in de wisselwerking tussen die twee een
specifiek landschap ontstaat. "De landschapsarchitecten
gaan juist uit van de wisselwerking tussen beide zijden;
er zijn dingen die moeten groeien, en er zijn dingen
die gemaakt moeten worden en vorm kunnen krijgen. We
zouden het landschap veel meer kunnen zien als een expressie
van onze cultuur, en daar in ieder geval veel bewuster
mee om kunnen gaan. We mogen ons realiseren dat het
landschap waarin we leven ook een soort kunstwerk is,
dat gemaakt mag en moet worden wil het kwaliteit hebben."
De landschapsarchitecten hebben een brede visie. De
klassieke architectuurtheorie van Vitrivius heeft een
drieledig uitgangspunt: gebruik, schoonheid en duurzame
constructie. Kerkstra: "Landschapsarchitecten proberen
niet alleen functionaliteit of ecologische ideeën
in een landschap te leggen. Het landschap moet ideeën
uitdrukken over hoe mensen zichzelf zien. Ook in het
ruimtelijk beleid zie je dezelfde driedeling terug,
daar heet het gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.
In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening wordt dat ook
gebruikt als omschrijving van de ruimtelijke kwaliteit."
Volgens Kerkstra is een goed ontwerp een expressie van
de genoemde drie zaken. "In een goed ontwerp zijn ze
in samenhang verweven tot een enkel element dat bij
de essentie van de omgeving en de mensen past. Als de
steden zich vanwege economische en technische factoren
op een bepaalde manier ontwikkelen, dan is het onze
taak om daar een bij het landschap passende expressie
voor te vinden. We moeten niet proberen om die ontwikkelingen
tegen te houden, of te sturen zoals we binnen de ruimtelijke
ordening doen."
Kerkstra benadrukt dus om vooral van de huidige en toekomstige
realiteit uit te gaan. Maar ook de huidige mens verandert
binnen de omstandigheden. Kerkstra neemt waar dat de
mens aan het terugkomen is van het idee dat alles maakbaar
is: "Vroeger werd de natuur alleen maar als mooi gezien
als hij gecultiveerd werd, nu zie je steeds meer, juist
ook door de toename van de verstedelijking, een hang
naar het ongerepte ontstaan. De ontwikkeling van de
technologische zijde draagt ook hier weer een ontwikkeling
van de andere zijde in zich; de mens krijgt gelijktijdig
de psychologische behoefte aan natuurlijkheid, aan het
ongerepte. De mens zoekt dus naar een soort harmonie
tussen die dingen."
Bemiddelaar
Als hoogleraar probeert Kerkstra in zijn onderwijs duidelijk
te maken dat het beroep van landschapsarchitect een
dienende functie heeft. De architect als bemiddelaar.
Kerkstra: "Er zijn natuurlijk architecten die denken
dat het landschap er is om hun eigen ideeën tot
expressie te brengen en voorbij gaan aan de mensen die
het landschap gebruiken. Ik beschouw het landschap en
de openbare ruimten als publiek domein. De architectuur
zou gericht moeten zijn op het tot uitdrukking brengen
van gezamenlijke waarden. Je zou er in moeten kunnen
zien hoe onze samenleving is, met inbegrip van alle
contrasten. Het is daarbij van belang om vooraf een
debat te hebben en niet achteraf. Er is goed overleg
nodig, al op het moment dat je de opgave gaat definiëren."
Tegelijkertijd ziet Kerkstra het gevaar van middelmatigheid
in architectuur als je met een meerderheid van stemmen
gaat werken; het mag niet op de grootste gemene deler
van de populaire smaak gaan lijken. Hij citeert een
uitspraak van Sven Ingmar Anderson, een Deense landschapsarchitect;
'mode is goed voor kleren, maar niet voor het landschap'.
Alles wat je in het landschap doet heeft immers met
een lange termijn te maken. Het gaat met het vakgebied
landschapsarchitectuur heel goed op dit moment. Volgens
de hoogleraar zijn er verschillende landschapsarchitecten
die de aandacht trekken en zijn heel veel bureaus erg
succesvol. Kerkstra: "Maar iedereen heeft natuurlijk
zijn eigen visie op de ontwikkeling van de landschapsarchitecuur.
Ik ben van mening dat we afscheid moeten nemen van verouderde
wereldbeelden en wat meer naar nieuwe vormen moeten
gaan zoeken. We moeten ons ook realiseren dat het ontwerp
niet voor de ontwerper is, maar voor de mensen voor
wie we het ontwerpen."
Esthetiek
De gehele architectuur bevindt zich in een overgangsfase.
Werd er vanuit het modernisme nog gedacht dat alles
maakbaar was, nu is er een kentering waar te nemen.
Kerkstra: "We dachten met goede analyses en wetenschap
een soort ideale wereld te scheppen. Binnen de architectuur
heeft dat geleid tot een grote saaiheid, kijk bijvoorbeeld
maar naar al die wijken uit de jaren zestig en zeventig.
Het typerende van die moderne periode was dat er niet
gesproken werd over de esthetische kwaliteit van dingen.
Er werd vanuit gegaan dat als het functioneerde, het
ook mooi was. Dat is dus niet helemaal waar gebleken."
Nu is er dus een nieuw debat; wat is er eigenlijk mooi?
"Het is de vraag wat architectuur onderscheidt van bouwen
zonder meer; wat kunnen de landschapsarchitecten dat
de aannemer niet kan. Dat zit hem toch in iets wat zich
aan het zuiver funcionele onttrekt. We moeten ervan
doordrongen raken dat het landschap een grote waarde
en kwaliteit heeft, we moeten daar dus ook voor betalen.
Je krijgt het landschap dat je verdient als samenleving."
"Ik voel me verantwoordelijk voor het landschap, eigenlijk
is het een soort zandbakgevoel, een persoonlijke drang
die iedere architect zal hebben, hij of zij wil iets
maken of bouwen.
Maar daarnaast heb ik altijd belangstelling gehad voor
de kunsten. Vanuit die basis ben ik destijds begonnen
met mijn studie. Het denken over het landschap leidt
vanzelf tot filosofische vragen; het is altijd nadenken
over de mensen, de wereld waarin we leven, over de kwaliteit
daarvan. Het leidt zo natuurlijk naar een gevoel dat
je daar als landschapsarchitect verantwoordelijkheid
voor draagt."
"Het mooiste plekje van Nederland? Dat vind ik de Pannerdense
Kop, dat is de plek waar de Rijn en de Waal zich splitsen.
Daar zie je eigenlijk heel Nederland, een land tussen
de bergen en de zee, een delta die met de rivieren samenhangt,
de bedrijvigheid van Rotterdam en het Ruhrgebied."
In zijn omschrijving klinkt poëzie en analyse
tegelijkertijd. Kerkstra blijft consequent.
Cécile van der Heijden |