Een niveau terug
 

HET LANDELIJK DAGBLAD • JAARGANG 1 • NUMMER 1

17 juni 1999

 
     
  "Je krijgt het landschap dat je verdient", een gesprek met prof. ir. Klaas Kerkstra, LUW  
     
   
   
 

Afscheid van een wereldbeeld

   
 

Het traditionele beeld van de stad en het platteland is aan het verdwijnen. In de toekomst zullen deze voorheen nog redelijk begrensde gebieden in elkaar groeien. Er is een nieuwe typologie nodig: hoe is er vorm te geven aan dit grootstedelijk weefsel dat zich steeds verder zal ontwikkelen?

   
 
  

In de startnota Ruimtelijke Ordening van minister Pronk, die dit voorjaar is uitgekomen zijn deze ontwikkelingen voor de stad en het platteland uitgewerkt. "Opvallend aan deze beleidsnota's is dat de keuzes die er gemaakt worden gerelateerd worden aan de traditionele beelden van de tweedeling tussen stad en platteland die nog volop bestaat." Dat meent prof. ir. Klaas Kerkstra, hoogleraar aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen en spreker op de landschapsdag.
Kerkstra: "We zullen afscheid moeten nemen van het verleden als maatstaf voor wat wij goed vinden. De stad is niet meer begrensd, maar heeft zicht ontwikkeld tot een soort spinnenweb. Ook in de landbouw is het tijd voor reconstructie. Tot nu toe worden die ontwikkelingen voornamelijk als negatief gezien. Er wordt bijvoorbeeld gevreesd voor wantoestanden, zoals lintbebouwing langs de snelweg. Het zou beter zijn om het als een vormgevingsvraagstuk te zien. We moeten na gaan denken hoe de maatschappelijke veranderingen op een positieve wijze ingepast kunnen worden in het landelijk gebied."
"Het is natuurlijk jammer dat er dingen aan het verdwijnen zijn. Maar landschappen zijn natuurlijk ook een cultuurproduct; ze zijn uitdrukking van een bepaalde manier van leven en werken van mensen. Als die gaan veranderen, dan moet ook de ruimtelijke inrichting veranderen. Die inrichting zal een expressie moeten zijn voor de manier waarop we vandaag leven".
"Men is bij landschap vaak geneigd om dat meer als een natuurproduct dan als een cultuurproduct te zien. Nederland heeft op dit moment heel mooie plekken, maar ook veel plekken die middelmatigheid uitstralen. Voor wat betreft het esthetische argument, daarover wordt voornamelijk in historiserende zin gesproken. Er worden oude dingen mooi gevonden, maar de ogen zouden ook geopend moeten worden voor de schoonheid van een modern landbouwbedrijf."

Kunstwerk
Het landschap is een paradoxaal begrip, aan de ene kant is er de natuur en aan de andere kant het menselijk handelen en het menselijk ingrijpen in de natuur. Kerkstra meent dat er in de wisselwerking tussen die twee een specifiek landschap ontstaat. "De landschapsarchitecten gaan juist uit van de wisselwerking tussen beide zijden; er zijn dingen die moeten groeien, en er zijn dingen die gemaakt moeten worden en vorm kunnen krijgen. We zouden het landschap veel meer kunnen zien als een expressie van onze cultuur, en daar in ieder geval veel bewuster mee om kunnen gaan. We mogen ons realiseren dat het landschap waarin we leven ook een soort kunstwerk is, dat gemaakt mag en moet worden wil het kwaliteit hebben."
De landschapsarchitecten hebben een brede visie. De klassieke architectuurtheorie van Vitrivius heeft een drieledig uitgangspunt: gebruik, schoonheid en duurzame constructie. Kerkstra: "Landschapsarchitecten proberen niet alleen functionaliteit of ecologische ideeën in een landschap te leggen. Het landschap moet ideeën uitdrukken over hoe mensen zichzelf zien. Ook in het ruimtelijk beleid zie je dezelfde driedeling terug, daar heet het gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening wordt dat ook gebruikt als omschrijving van de ruimtelijke kwaliteit."
Volgens Kerkstra is een goed ontwerp een expressie van de genoemde drie zaken. "In een goed ontwerp zijn ze in samenhang verweven tot een enkel element dat bij de essentie van de omgeving en de mensen past. Als de steden zich vanwege economische en technische factoren op een bepaalde manier ontwikkelen, dan is het onze taak om daar een bij het landschap passende expressie voor te vinden. We moeten niet proberen om die ontwikkelingen tegen te houden, of te sturen zoals we binnen de ruimtelijke ordening doen."
Kerkstra benadrukt dus om vooral van de huidige en toekomstige realiteit uit te gaan. Maar ook de huidige mens verandert binnen de omstandigheden. Kerkstra neemt waar dat de mens aan het terugkomen is van het idee dat alles maakbaar is: "Vroeger werd de natuur alleen maar als mooi gezien als hij gecultiveerd werd, nu zie je steeds meer, juist ook door de toename van de verstedelijking, een hang naar het ongerepte ontstaan. De ontwikkeling van de technologische zijde draagt ook hier weer een ontwikkeling van de andere zijde in zich; de mens krijgt gelijktijdig de psychologische behoefte aan natuurlijkheid, aan het ongerepte. De mens zoekt dus naar een soort harmonie tussen die dingen."

Bemiddelaar
Als hoogleraar probeert Kerkstra in zijn onderwijs duidelijk te maken dat het beroep van landschapsarchitect een dienende functie heeft. De architect als bemiddelaar. Kerkstra: "Er zijn natuurlijk architecten die denken dat het landschap er is om hun eigen ideeën tot expressie te brengen en voorbij gaan aan de mensen die het landschap gebruiken. Ik beschouw het landschap en de openbare ruimten als publiek domein. De architectuur zou gericht moeten zijn op het tot uitdrukking brengen van gezamenlijke waarden. Je zou er in moeten kunnen zien hoe onze samenleving is, met inbegrip van alle contrasten. Het is daarbij van belang om vooraf een debat te hebben en niet achteraf. Er is goed overleg nodig, al op het moment dat je de opgave gaat definiëren."
Tegelijkertijd ziet Kerkstra het gevaar van middelmatigheid in architectuur als je met een meerderheid van stemmen gaat werken; het mag niet op de grootste gemene deler van de populaire smaak gaan lijken. Hij citeert een uitspraak van Sven Ingmar Anderson, een Deense landschapsarchitect; 'mode is goed voor kleren, maar niet voor het landschap'. Alles wat je in het landschap doet heeft immers met een lange termijn te maken. Het gaat met het vakgebied landschapsarchitectuur heel goed op dit moment. Volgens de hoogleraar zijn er verschillende landschapsarchitecten die de aandacht trekken en zijn heel veel bureaus erg succesvol. Kerkstra: "Maar iedereen heeft natuurlijk zijn eigen visie op de ontwikkeling van de landschapsarchitecuur. Ik ben van mening dat we afscheid moeten nemen van verouderde wereldbeelden en wat meer naar nieuwe vormen moeten gaan zoeken. We moeten ons ook realiseren dat het ontwerp niet voor de ontwerper is, maar voor de mensen voor wie we het ontwerpen."

Esthetiek
De gehele architectuur bevindt zich in een overgangsfase. Werd er vanuit het modernisme nog gedacht dat alles maakbaar was, nu is er een kentering waar te nemen. Kerkstra: "We dachten met goede analyses en wetenschap een soort ideale wereld te scheppen. Binnen de architectuur heeft dat geleid tot een grote saaiheid, kijk bijvoorbeeld maar naar al die wijken uit de jaren zestig en zeventig. Het typerende van die moderne periode was dat er niet gesproken werd over de esthetische kwaliteit van dingen. Er werd vanuit gegaan dat als het functioneerde, het ook mooi was. Dat is dus niet helemaal waar gebleken."
Nu is er dus een nieuw debat; wat is er eigenlijk mooi? "Het is de vraag wat architectuur onderscheidt van bouwen zonder meer; wat kunnen de landschapsarchitecten dat de aannemer niet kan. Dat zit hem toch in iets wat zich aan het zuiver funcionele onttrekt. We moeten ervan doordrongen raken dat het landschap een grote waarde en kwaliteit heeft, we moeten daar dus ook voor betalen. Je krijgt het landschap dat je verdient als samenleving."
"Ik voel me verantwoordelijk voor het landschap, eigenlijk is het een soort zandbakgevoel, een persoonlijke drang die iedere architect zal hebben, hij of zij wil iets maken of bouwen.
Maar daarnaast heb ik altijd belangstelling gehad voor de kunsten. Vanuit die basis ben ik destijds begonnen met mijn studie. Het denken over het landschap leidt vanzelf tot filosofische vragen; het is altijd nadenken over de mensen, de wereld waarin we leven, over de kwaliteit daarvan. Het leidt zo natuurlijk naar een gevoel dat je daar als landschapsarchitect verantwoordelijkheid voor draagt."

"Het mooiste plekje van Nederland? Dat vind ik de Pannerdense Kop, dat is de plek waar de Rijn en de Waal zich splitsen. Daar zie je eigenlijk heel Nederland, een land tussen de bergen en de zee, een delta die met de rivieren samenhangt, de bedrijvigheid van Rotterdam en het Ruhrgebied."

In zijn omschrijving klinkt poëzie en analyse tegelijkertijd. Kerkstra blijft consequent.

Cécile van der Heijden

   
 
   
 
 © 2000-2007 Copyright NVTL – Alle rechten voorbehouden
 vormgeving: harco van den hurk, grafisch ontwerper, arnhem
 internet implementatie: webconcepts